Partijen, de man en de vrouw, zijn betrokken bij een geschil over de omgang met hun minderjarige kind, dat sinds maart 2012 feitelijk bij de grootouders verblijft en in april 2013 naar Groot-Brittannië is vertrokken. De minderjarige is onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst op grond van een Nederlandse kinderrechterlijke beschikking. BJAA heeft een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de vrouw omtrent de omgang met het kind.
De vrouw heeft een verzoek ingediend tot vervallenverklaring van deze schriftelijke aanwijzing en vaststelling van een andere omgangsregeling. De man betwist de ontvankelijkheid van dit verzoek, stellende dat het te laat is ingediend en dat de kinderrechter ten onrechte bevoegd is verklaard.
Het hof stelt vast dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft omdat de gewone verblijfplaats van het kind nog als Nederland wordt beschouwd gezien de uithuisplaatsing en betrokkenheid van Nederlandse instanties. Het verzoek van de vrouw wordt echter niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingediend en de vrouw geen verschoonbare reden heeft gegeven voor de termijnoverschrijding.
Partijen hebben ter zitting een principeakkoord bereikt over een omgangsregeling met begeleide omgang in Nederland en Schotland. Het hof vernietigt de bestreden beschikking en verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar inleidend verzoek.