Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
€ 3.800 € 6.814 € 3.012 € 1.500 € 836
€ 2.000 € 2.000 € 2.000 € 2.000 € 2.000
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende exploiteerde een horecagelegenheid met een bovenverdieping waar dranken, etenswaren, pooltafels en kansspelautomaten werden aangeboden. De inspecteur legde naheffingsaanslagen omzetbelasting op over de jaren 2005 tot en met 2009, welke belanghebbende betwistte met het argument dat hij geen ondernemer was.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende wel als ondernemer moest worden aangemerkt, gelet op de economische activiteiten, het beheer van kasgeld, sleutel en inkopen, en het ontbreken van bewijs voor een besloten club zonder winstoogmerk. Belanghebbende stelde dat de bovenzaal een besloten club was zonder winststreven, maar kon dit niet aannemelijk maken.
Het hof nam de overwegingen van de rechtbank over en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De naheffingsaanslagen bleven in stand en belanghebbende werd niet in de proceskosten veroordeeld. De uitspraak bevestigt dat ondernemerschap voor de omzetbelasting niet afhankelijk is van winststreven, maar van het verrichten van economische activiteiten.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat belanghebbende terecht als ondernemer is aangemerkt en verklaart het hoger beroep ongegrond.