Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
(Hof: te [plaatsnaam]). De aandelen in deze vennootschap zijn in het onderhavige tijdvak in handen van haar directeur, de heer[voorletters].
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende, handelend in gebruikte auto’s, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over 2005-2007, met een boete en heffingsrente. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
Het geschil betrof met name de aftrek van voorbelasting over auto’s geleverd door een andere vennootschap ([E] BV). De inspecteur stelde dat sprake was van overdracht van een algemeenheid van goederen (art. 31 Wet Pro OB), waardoor aftrek niet mogelijk was, of dat belanghebbende wist dat de leverancier de omzetbelasting niet zou voldoen, wat aftrek eveneens uitsloot.
Het Hof oordeelde dat de overdracht van de auto’s geen overdracht van een algemeenheid van goederen vormde, omdat onvoldoende samenhang bestond met bedrijfsactiviteiten, personeel, goodwill of activa. Wel was komen vast te staan dat belanghebbende wist dat de leverancier de omzetbelasting niet had voldaan, waardoor aftrek van voorbelasting werd geweigerd.
De naheffingsaanslag werd verminderd vanwege toepassing van de margeregeling. De opgelegde boete werd gematigd tot € 586 wegens overschrijding redelijke termijn en passend geacht gezien het verzuim. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de naheffingsaanslag en boete verminderd en de inspecteur veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 6.039 en de boete tot € 586; het hoger beroep wordt gegrond verklaard.