Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de vrouwis het volgende gebleken.
de manis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen, die tot 2008 een relatie hadden en samen het gezag over hun minderjarige kind uitoefenen, waren mondeling overeengekomen dat de man een bijdrage van €300 per maand zou betalen voor de verzorging en opvoeding van het kind. Deze bijdrage was in de jaren daarna licht geïndexeerd.
De vrouw vorderde in hoger beroep een aanzienlijke verhoging van deze bijdrage, stellende dat de oorspronkelijke afspraak met grove miskenning van de wettelijke maatstaven tot stand was gekomen. Het hof stelde vast dat er geen aannemelijk bewijs was dat de man structureel bijdroeg aan bijzondere kosten en dat de overeengekomen bijdrage duidelijk lager was dan de behoefte van het kind, berekend op €610 per maand in 2007.
De man voerde aan dat hij tijdens de relatie ook bijdroeg aan de kosten van een ander kind van de vrouw, maar dit werd door het hof niet gevolgd omdat de vrouw hiervoor een aparte bijdrage ontving. Ook was niet gebleken dat partijen bewust van de wettelijke normen waren afgeweken.
Het hof berekende de draagkracht van beide partijen aan de hand van hun financiële gegevens en concludeerde dat de vrouw onvoldoende draagkracht heeft, terwijl de man voldoende draagkracht heeft om een bijdrage van €675 per maand te betalen. De beschikking werd daarom vernietigd en de nieuwe bijdrage vastgesteld met ingang van 13 juni 2012.
Uitkomst: De man moet vanaf 13 juni 2012 een kinderalimentatie van €675 per maand betalen.