Uitspraak
1.[Appellant sub 1] en
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
9. Kettingbeding
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak stond de uitleg van een kettingbeding centraal, opgenomen in de leveringsakte van een pand dat door de Stichting werd gekocht en verhuurd. Het kettingbeding verbood het gebruik van het pand als hotel onder dreiging van een boete van €5.000 per dag en een boete van €1.000.000 bij het niet woordelijk opnemen van het beding in latere overeenkomsten.
[Appellanten] vorderden betaling van een boete wegens overtreding van het kettingbeding, stellende dat de Stichting het pand hotelmatig liet gebruiken. Het hof oordeelde dat uit het enkele feit van hotelgebruik geen betrokkenheid van de Stichting volgt en dat geen toezichtsverplichting jegens derden bestaat. Hierdoor faalde de primaire vordering.
De subsidiaire vordering betrof de boete wegens het niet woordelijk opnemen van het kettingbeding in de huurovereenkomst. Het hof stelde vast dat de Stichting dit had nagelaten, wat haar kan worden toegerekend. Hoewel de boete verschuldigd is zonder ingebrekestelling, matigde het hof de boete tot €600.000 omdat toepassing van de volledige boete tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat zou leiden.
Het hof vernietigde het bestreden vonnis voor zover het de boete betrof, veroordeelde de Stichting tot betaling van €600.000 plus rente, bekrachtigde het vonnis voor het overige, en bepaalde de proceskostenverdeling. De uitspraak werd op 3 december 2013 door het hof Amsterdam gewezen.
Uitkomst: De Stichting is veroordeeld tot betaling van een gematigde boete van €600.000 wegens het niet woordelijk opnemen van het kettingbeding in de huurovereenkomst.