Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
[naam],
Gerechtshof Amsterdam
De klager diende een klacht in tegen een gerechtsdeurwaarder wegens het onbeantwoord laten van een brief van 21 april 2011, waarin een betalingsvoorstel werd gedaan. Ondanks drie herinneringen bleef de brief 305 dagen onbeantwoord. De gerechtsdeurwaarder erkende de vertraging en gaf aan de brief direct aan zijn opdrachtgever te hebben doorgezonden, maar stelde dat de opdrachtgever traag reageerde.
Het hof oordeelde dat het onbehoorlijk was om een brief gedurende tien maanden onbeantwoord te laten, vooral nadat de gerechtsdeurwaarder meerdere malen was gewezen op het uitblijven van een reactie. Hoewel de gerechtsdeurwaarder stelde overspoeld te zijn met klachten, was hiervan geen bewijs en was er geen communicatie richting klager dat verdere klachten niet beantwoord zouden worden.
Het hof achtte de maatregel van berisping passend en geboden, mede gezien het ontbreken van eerdere tuchtrechtelijke veroordelingen. De bestreden beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders werd bevestigd. Verdere door partijen aangevoerde punten werden als niet relevant of reeds behandeld beschouwd.
Uitkomst: Het hof bevestigt de berisping van de gerechtsdeurwaarder wegens het onbeantwoord laten van een brief gedurende tien maanden.