Uitspraak
mr. I.M.C.A. Reinders Folmerte Amsterdam,
mr. S.M.E. Hirdeste Amsterdam.
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
grief 1komen [appellanten] vergeefs op tegen het door de voorzieningenrechter aanwezig geachte spoedeisend belang. De tussen partijen overeengekomen splitsingen zijn op 19 juni 2012 geëffectueerd. Daardoor zijn de desbetreffende onroerende zaken in het vermogen van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gevloeid en zijn, omdat de op die zaken rustende hypotheken niet zijn geroyeerd, derdenhypotheken ontstaan die voor [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] het risico inhouden dat de onroerende zaken zullen worden geëxecuteerd voor de schuld van [appellanten] aan HSH. Aan de solvabiliteit van [appellanten] kan worden getwijfeld, niet alleen omdat [appellanten] (kennelijk) niet in staat zijn tot aanvulling van het depot en niet hebben voldaan aan hun verplichting tot aanvullende zekerheidstelling, maar ook omdat zij de stelling van [geïntimeerden] dat HSH zich op het standpunt stelt dat haar zekerheidspositie steeds verder wordt uitgehold onvoldoende gemotiveerd hebben bestreden. Temeer nu partijen (in de artikelen 24 respectievelijk 17 van de overeenkomsten van 1 november 2011) duidelijke afspraken hebben gemaakt, welke afspraken reeds op (of kort na) 19 juni 2012 uitgevoerd hadden moeten zijn, per 1 maart 2013 expireren en alsdan nieuwe verplichtingen doen ontstaan, bestaat aan de zijde van [geïntimeerden] bij hun vorderingen voldoende spoedeisend belang. Het gegeven dat partijen in de akten van 1 november 2011 zijn overeengekomen hun geschillen door middel van bindend advies te doen beslechten staat aan het instellen (en toewijzen) van de onderhavige vorderingen in kort geding niet in de weg. Grief 1 treft daarom geen doel.
grieven 2, 3 en 4zullen gezamenlijk worden behandeld.