ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8713
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van grensoverschrijdende fiscale eenheid en vrijheid van vestiging in vennootschapsbelasting
Het geschil betreft het verzoek van belanghebbenden om een fiscale eenheid te vormen tussen een Nederlandse moedervennootschap en haar Nederlandse kleindochtervennootschap, waarbij de aandelen van de kleindochter worden gehouden door een tussenhoudstervennootschap gevestigd in Duitsland. De inspecteur weigerde dit verzoek op grond van artikel 15 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, omdat de tussenhoudster niet in Nederland is gevestigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbenden gegrond en vernietigde de beschikking van de inspecteur. Het Hof neemt de feiten en overwegingen van de rechtbank over en stelt vast dat de Nederlandse regeling een verticale consolidatie vereist binnen een ononderbroken keten van vennootschappen die deel uitmaken van de fiscale eenheid. Hierdoor wordt grensoverschrijdende fiscale eenheid geweigerd.
Het Hof overweegt dat deze weigering een belemmering vormt van de vrijheid van vestiging zoals gewaarborgd in artikel 49 en Pro 54 VWEU. Het Hof stelt dat de situatie van een Nederlandse moedervennootschap met een Nederlandse kleindochter via een buitenlandse tussenhoudster objectief vergelijkbaar is met een binnenlandse situatie, en dat de weigering leidt tot ongelijke behandeling.
Hoewel de inspecteur een beroep doet op fiscale coherentie en het voorkomen van dubbele verliesverrekening als rechtvaardigingsgrond, acht het Hof twijfel bestaan over de proportionaliteit en effectiviteit van de weigering. Het Hof verwijst naar het arrest Papillon en andere jurisprudentie van het HvJ EU en stelt prejudiciële vragen aan het HvJ EU om duidelijkheid te verkrijgen over de rechtmatigheid van de Nederlandse regeling in deze grensoverschrijdende context.
Uitkomst: Het Hof verklaart het beroep gegrond en vernietigt de beschikking van de inspecteur, met prejudiciële vragen aan het HvJ EU.