ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ0224

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
23-000684-12
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140 Sr
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing getuigenverzoeken in hoger beroep inzake deelname criminele organisatie

In het hoger beroep tegen verdachte is door de verdediging verzocht om het horen van diverse getuigen over onderwerpen zoals de overname van een bedrijf, mediabeleid, interne en externe controle, en een toestemmingsmemo. Het hof heeft deze verzoeken beoordeeld en geoordeeld dat de verklaringen van deze getuigen niet van belang zijn voor de beslissingen in de strafzaak.

Het hof benadrukt dat de centrale vraag in hoger beroep is of verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 140 Sr Pro, en of het oogmerk van die organisatie was het plegen van misdrijven. De onderwerpen van de getuigenverklaringen betreffen andere aspecten die niet direct relevant zijn voor deze bewijsvragen.

Daarnaast wijst het hof op een ambtshalve gevoegd rapport van het Verweij-Jonker Instituut over de interne organisatie en het toezicht binnen het betrokken bedrijf, en stelt dat verdachte zelf de primaire bron is voor informatie over het toestemmingsmemo en zijn rol als bestuurder. Het verzoek tot inzage in de dataroom is door de verdediging ingetrokken. De uitspraak is gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 30 januari 2013.

Uitkomst: Verzoek tot het horen van getuigen wordt afgewezen wegens gebrek aan relevantie voor de strafzaak.

Uitspraak

Uitspraak van het gerechtshof Amsterdam op het ter terechtzitting van 17 december 2012 in het kader van de onderzoekswensen verzochte, in de strafzaak met opmeld parketnummer tegen de verdachte
[Verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
adres: [adres],
1. Getuigenverzoeken
Op uitnodiging van het hof heeft, voorafgaand aan de regiezitting, een schriftelijke conclusiewisseling plaatsgevonden, waarbij de verdediging en het openbaar ministerie in de gelegenheid zijn gesteld om kennis te nemen van en te reageren op elkaars onderzoekswensen, voor zover deze er zijn.
Bij brief van 20 september 2012, vóór de eerste terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2012 heeft de raadsman, in het kader van een schriftelijke conclusiewisseling, aan het Hof verzocht om onder meer de oproeping van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6],
[getuige 7] en [getuige 8], die als getuigen gehoord dienen te worden over de navolgende onderwerpen, zijnde
a) de overname van [bedrijf] in 1995,
b) het mediabeleid van de [bedrijf],
c) de interne en externe controle bij [bedrijf], en
d) het zogeheten "toestemmingsmemo”.
Ter zitting van 7 december 2012 zijn de verzoeken, met uitzondering van één getuigeverzoek ([getuige 7], welk verzoek is ingetrokken) herhaald.
Het hof wijst, met inachtneming van de maatstaf van het verdedigingsbelang, het verzoek tot het horen van voornoemde personen als getuigen af, nu de punten waaromtrent de getuigen zouden moeten worden bevraagd in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in de strafzaak van de verdachte te nemen beslissingen.
In hoger beroep is (alleen nog) aan de orde de vraag of de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr), waarbij aan de orde zijn de bewijsvragen, of sprake is van een criminele organisatie en, zo ja, of de verdachte heeft deelgenomen aan die organisatie en of het oogmerk van de organisatie gericht was op het plegen van misdrijven, waarbij wordt opgemerkt dat dit andersoortige bewijsvragen zijn die dienen te worden beantwoord dan de vraag of de verdachte zelf heeft deelgenomen aan een strafbaar feit.
In redelijkheid is niet te verwachten dat de inhoud van de af te leggen verklaringen op enigerlei wijze van belang kan zijn voor enige in de strafzaak van de verdachte te nemen beslissing(en), gelet op de onderwerpen waarover de getuigen zouden moeten worden gehoord. Voor zover het gaat om de interne en externe controle wijst het hof nog op het ambtshalve gevoegde rapport van het Verweij-Jonker Instituut van juni 2011. Daarin wordt uitgebreid ingegaan op de interne organisatie en het toezicht binnen Bouwfonds. Bovendien is de verdachte zelf de primaire informatiebron over het toestemmingsmemo en over hoe hij zijn taken heeft vervuld als bestuurder binnen Bouwfonds en kan hij daarover ter terechtzitting in hoger beroep nader verklaren.
2. Verzoek tot inzage in de dataroom
De verdediging heeft op 17 december 2012 op de in hoger beroep gehouden nadere regiezitting verzocht om inzage in de dataroom. Het hof verstaat dit verzoek als ingetrokken - en zal daar dan ook niet (meer) op beslissen - aangezien de advocaat-generaal reeds ter terechtzitting heeft laten weten dat dit verzoek geen probleem vormt.
BESLISSING
Het hof:
Wijst af het verzoek tot het horen van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6] en [getuige 8] als getuige.
Deze uitspraak is gegeven door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Jurgens, mr. S. Clement en mr. A. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van
mr. R. Cozijnsen als griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit hof van
30 januari 2013.