ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ1599

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
23-001594-10
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 13 Wet wapens en munitieArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 36b SrArt. 36c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot moord en wapendelicten met lange gevangenisstraf

De verdachte heeft op 21 mei 2009 het slachtoffer in Amsterdam met een vuurwapen 14 keer in armen en benen geschoten, met voorbedachten rade en opzet op de dood. Het slachtoffer liep ernstige slagaderlijke verwondingen op en verkeerde in kritieke toestand.

Het hof acht bewezen dat de verdachte met kalm beraad handelde en voorwaardelijk opzet had op het overlijden van het slachtoffer. De verdediging voerde aan dat het opzet slechts gericht was op zwaar letsel, maar dit werd verworpen. Daarnaast werd de verdachte veroordeeld voor het bezit van diverse wapens en munitie en voor diefstal uit een kluis met valse sleutels.

De rechtbank veroordeelde de verdachte eerder tot 9 jaar gevangenisstraf voor poging tot doodslag, maar het hof wijzigde dit in poging tot moord en legde een straf van 11 jaar en 11 maanden op, met aftrek van een maand wegens termijnoverschrijding. Ook werd de schadevergoeding van €57.400 aan de benadeelde partij toegewezen. Het hof nam mee dat de verdachte geen medewerking verleende aan psychologisch onderzoek en onvoldoende betrokkenheid toonde bij de gevolgen van zijn daad.

De wapens en munitie werden aan het verkeer onttrokken. Het slachtoffer ondervindt ernstige fysieke en psychische gevolgen van het incident. Het hof sprak de verdachte vrij van overige tenlasteleggingen die niet bewezen konden worden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 11 jaar en 11 maanden gevangenisstraf voor poging tot moord en wapendelicten met toewijzing van schadevergoeding.

Uitspraak

parketnummer: 23-001594-10
datum uitspraak: 14 februari 2013
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 april 2010 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-410449-09 (hierna: zaak A) en 13-413291-08 (hierna: zaak B) tegen
[verdachte],
[geboortedatum en – plaats],
[adres: xxx],
[detentieadres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 januari 2013, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
Zaak A
1.
hij op of omstreeks 21 mei 2009 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), die [slachtoffer] met een vuurwapen een of meermalen, in de knie en/of de benen en/of de bil en/of de arm, in elk geval in het lichaam, heeft geschoten;
2.
hij op of omstreeks 21 mei 2009 te Amsterdam een of meer wapens van categorie I, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad;
3.
hij op of omstreeks 21 mei 2009 te Amsterdam een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool, en/of munitie van categorie III, te weten 43, in elk geval een of meerdere patro(o)n(en) (CWL 32) en/of acht, in elk geval een of meerdere patro(o)n(en) (Geco 7.65) en/of 32, in elk geval een of meerdere patro(o)n(en) (9x19 08 O en X) en/of vijf, in elk geval een of meerdere patro(o)n(en) (9mm Luger mms), voorhanden heeft gehad en/of voorhanden heeft gehad een of meerdere busje(s) pepperspray, zijnde een voorwerp dat bestemd is voor het treffen van personen met (een) verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen), in elk geval een wapen in de zin van de Wet Wapens en Munitie van Categorie II, genoemd onder 6;
Zaak B
primair
hij op of omstreeks 13 september 2008 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een kluis (gelegen in aan pand aan de Nieuwendijk) heeft weggenomen een geldbedrag van 57.400 Euro, althans van enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [bedrijf] (gevestigd aan de Nieuwendijk), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn, verdachtes, bereik heeft gebracht door middel van een of meer valse sleutel(s);
subsidiair
hij op of omstreeks 13 september 2008 te Amsterdam opzettelijk een geldbedrag van (ongeveer) 57.400 euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde(n) aan naam de [bedrijf] (gevestigd aan de Nieuwendijk), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn/haar persoonlijke dienstbetrekking, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring ten aanzien van feit 1 (zaak A) en een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.
Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 (zaak A)
De standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging
De advocaat-generaal heeft bewezenverklaring gevorderd van de in zaak A onder 1 impliciet tenlastegelegde poging tot moord.
De verdediging heeft terzake vrijspraak bepleit omdat de voorbedachte raad niet kan worden bewezen. Voorts heeft de raadsman betoogd dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het doden van [slachtoffer], ook niet in voorwaardelijke zin, nu het opzet van de verdachte slechts gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en hij om die reden gericht op de benen van [slachtoffer] heeft geschoten.
Het oordeel van het hof
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt onder meer het volgende over hetgeen direct voorafgaand aan en tijdens het onderhavige schietincident is gebeurd.
In de nacht van 21 mei 2009 kwam [betrokkene 1], ook wel [betrokkene 1] genoemd, thuis van een avond uit met haar collega [slachtoffer]. [slachtoffer] ging naar zijn eigen woning, die schuin tegenover de woning van [betrokkene 1] was gelegen. In het portiek voor de voordeur van haar woning, aan de [adres], stond de verdachte, met wie zij de relatie had verbroken. Zij gingen samen naar boven en in de woning werd [betrokkene 1] door de verdachte ondervraagd over haar bezigheden die avond. Zij vertelde dat ze met [slachtoffer] uit was geweest en met hem had gekust. Toen de verdachte, die zeer jaloers van aard was en al eerder een dreigement jegens [slachtoffer] had geuit, vervolgens zei dat hij [slachtoffer] wilde spreken, belde [betrokkene 1] naar [slachtoffer], zei ze hem dat de verdachte met hem wilde praten en gaf ze haar telefoon aan de verdachte. De verdachte vroeg [slachtoffer] hem te ontmoeten bij de voordeur van de woning van [betrokkene 1] om te praten “van man tot man”. Hij sprak daarbij op rustige toon.
De verdachte is daarna gewapend met een vuurwapen, een Glock, naar beneden gelopen en opende de voordeur. [slachtoffer] stond hem in de nabijheid van de deur op te wachten. De verdachte pakte zijn vuurwapen uit zijn broekband en schoot op een afstand van ongeveer één meter direct een aantal keren gericht op [slachtoffer]’s onderlichaam. Nadat [slachtoffer] op de grond was gevallen en op zijn rug lag, is de verdachte boven hem gaan staan en heeft hij de rest van het magazijn van zijn Glock leeggeschoten op de benen van [slachtoffer]. De verdachte ging er vervolgens vandoor.
[slachtoffer] werd ernstig gewond naar het Academisch Medisch Centrum (hierna: AMC) gebracht en daar onder een schuilnaam opgenomen. Hij had ernstige verwondingen, 26 in- en uitschotopeningen in boven- en onderbenen en in de rechteronderarm, alsmede fors uitwendig en zeker inwendig bloedverlies. [slachtoffer] was bij binnenkomst in kritieke toestand met ernstig risico op verbloeding vanwege de uitgebreide slagaderlijke letsels van zijn benen.
Opzet
Op grond van voormelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer]. De verdachte heeft het gehele magazijn van zijn Glock, waarin naar zijn zeggen 14 patronen zaten, leeggeschoten. Hij heeft daarbij gericht en van zeer dichtbij op het onderlichaam van [slachtoffer] geschoten, ook toen deze op de grond was gevallen, waarmee hij zich heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat deze dodelijk getroffen zou worden, gelet op de zich in de benen bevindende slagaders. De verdachte was naar eigen zeggen ook op de hoogte van het feit dat in benen slagaders lopen. Het [slachtoffer] is ten gevolge van de schietpartij in kritieke toestand, met ernstig risico op verbloeding vanwege de uitgebreide slagaderlijke letsels van de benen, het AMC binnengebracht. Het hof leidt hieruit af dat het [slachtoffer] zonder medisch ingrijpen zonder meer aan zijn letsel zou zijn overleden. Voorts staat op grond van het voorgaande naar het oordeel van het hof genoegzaam vast dat de verdachte door zijn handelwijze willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [slachtoffer] dodelijk zou treffen. De verdachte is bovendien weggelopen en heeft niets gedaan om het intreden van dat gevolg te voorkomen, bijvoorbeeld door het inroepen van medische hulp. Het hof verwerpt derhalve het verweer en acht het opzet op de dood bewezen.
Voorwaardelijk verzoek tot het horen van de traumachirurg
De raadsman heeft bij dupliek verzocht de behandelend traumachirurg [naam], werkzaam bij het AMC, als getuige-deskundige te horen over de (aanvaarding van de) aanmerkelijke kans dat het [slachtoffer] zou komen te overlijden door het meermalen schieten op de benen, in geval het hof van oordeel zijn dat het (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] was te bewijzen.
Het hof acht zich door de inhoud van de door [arts] opgemaakte letselverklaring van 9 juli 2009 voldoende ingelicht, zodat het horen van deze chirurg niet noodzakelijk is. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.
Voorbedachte raad
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft te geven.
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte die avond in een rustige gemoedstoestand met [slachtoffer] heeft afgesproken om hem te ontmoeten, vervolgens gewapend vanaf de vierde verdieping naar beneden is gelopen en zonder enige aanleiding van de kant van het [slachtoffer] van een korte afstand en doelgericht totaal 14 keer met zijn vuurwapen op het onderlichaam van [slachtoffer] heeft geschoten om hem “uit te schakelen”. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte weloverwogen heeft besloten te handelen zoals hij heeft gedaan en derhalve gelegenheid heeft gehad, en gebruikt, na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Voor het bestaan van een plotselinge of ogenblikkelijke gemoedsopwelling bevat het verhandelde ter zitting in het geheel geen aanknopingspunten, terwijl evenmin sprake was van enig provocerend gedrag van de kant van het [slachtoffer].
Het voorgaande leidt het hof tot de slotsom dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Contra-indicaties die tot een andersluidend oordeel zouden kunnen leiden, acht het hof niet aanwezig.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak A onder 1, 2 en 3 en in de zaak B primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak A
1.
hij op 21 mei 2009 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] met een vuurwapen meermalen in de benen en eenmaal in de arm heeft geschoten;
2.
hij op 21 mei 2009 te Amsterdam een wapen van categorie I, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad;
3.
hij op 21 mei 2009 te Amsterdam een wapen van categorie III, te weten een pistool, munitie van categorie III, te weten 43 patronen (CWL 32) en acht patronen (Geco 7.65) en 32 patronen (9x19 08 O en X) en vijf patronen (9mm Luger mms), voorhanden heeft gehad en voorhanden heeft gehad een busje pepperspray, zijnde een voorwerp dat bestemd is voor het treffen van personen met verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof, zijnde een wapen in de zin van de Wet Wapens en Munitie van Categorie II, genoemd onder 6;
Zaak B
primair
hij op 13 september 2008 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een kluis, gelegen in een pand aan de Nieuwendijk, heeft weggenomen een geldbedrag van 57.400 euro, toebehorende aan [bedrijf], gevestigd aan de Nieuwendijk, waarbij de verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.
Hetgeen in de zaak A onder 1, 2 en 3 en in de zaak B primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak A onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer B onder 1 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
het in de zaak A onder 1 bewezen verklaarde levert op:
poging tot moord;
het in de zaak A onder 2 bewezen verklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
het in de zaak A onder 3 bewezen verklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;
het in de zaak B primair bewezen verklaarde levert op:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.
Oplegging van straf
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in zaak A onder 1 (poging tot doodslag), 2, 3 en zaak B primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van voorarrest en heeft de vordering van de benadeelde partij [bedrijf](zaak B) toegewezen tot een bedrag van € 57.400,00 met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1 (poging tot moord), 2, 3 en in zaak B primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij geheel zal worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich op 21 mei 2009 schuldig gemaakt aan de poging tot moord op [slachtoffer] door zonder enige aanleiding veertien keer met een vuurwapen in de richting van zijn onderlichaam te schieten. De verdachte heeft zich laten leiden door ziekelijke jaloezie en op koelbloedige wijze van een zeer korte afstand het gehele magazijn van zijn pistool leeggeschoten op het weerloze [slachtoffer]. De omstandigheid dat [slachtoffer] het heeft overleefd, is niet aan de verdachte te danken. Dit extreme geweld heeft voor het toen jeugdige en sportieve [slachtoffer] grote gevolgen gehad. Zoals blijkt uit zijn slachtofferverklaringen en de ter terechtzitting namens hem afgelegde verklaring is zijn leven na de schietpartij radicaal veranderd. Hij is niet meer in staat zelfstandig te wonen, omdat hij afhankelijk is van de zorg van zijn familie. Hij is fysiek erg beperkt en kan niet 10 minuten aaneengesloten lopen zonder vreselijke pijnen te moeten verdragen. Hoewel hij reeds diverse operaties heeft ondergaan, liggen nog diverse chirurgische ingrepen in het verschiet. Het handelen van de verdachte heeft ook grote psychische gevolgen gehad, voor het [slachtoffer] en ook voor [betrokkene 1]. [slachtoffer] is onder meer traumatisch en angstig en lijdt aan depressies als gevolg van het schietincident. [betrokkene 1] is sindsdien onder een andere naam woonachtig in het buitenland om zo eventuele confrontaties met de verdachte en/of diens familie te vermijden.
Daarbij komt dat de schietpartij zich heeft afgespeeld op de openbare weg, [adres], waardoor ook anderen, omwonenden en uitgaanspubliek, daarvan getuige zijn geweest en geconfronteerd zijn met een ernstig gewond [slachtoffer]. De ervaring leert dat ook dergelijke getuigen nog lange tijd last kunnen hebben van de psychische gevolgen van hetgeen zij hebben waargenomen. Het staat voorts buiten kijf dat de rechtsorde door een dergelijke gebeurtenis ernstig geschokt is.
Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van een ploertendoder, een semi-automatisch pistool (waarmee hij heeft geschoten en dat hij dagelijks bij zich droeg), munitie en pepperspray. Daarnaast heeft hij een groot geldbedrag weggenomen uit de kluis van zijn voormalige werkgever. Daarmee heeft de verdachte het vertrouwen van zijn werkgever, waar hij ongeveer zeven jaar werkzaam was, in ernstige mate geschonden en hem grote financiële schade berokkend.
Het hof rekent het de verdachte aan dat hij – ondanks zijn ter terechtzitting in hoger beroep gewijzigde proceshouding – op een weinig betrokken manier heeft verklaard over het gebeurde met [slachtoffer], waardoor hij niet doordrongen lijkt van de ernst van het feit en de gevolgen daarvan. Zo heeft hij ter terechtzitting onder meer gesteld dat hij ervan mocht uitgaan dat de gevolgen van zijn handelen voor het [slachtoffer] zouden meevallen omdat in de desbetreffende buurt in Amsterdam een ambulance snel genoeg ter plaatse zou kunnen zijn. Ook de ernst van de huidige fysieke en psychische toestand van het [slachtoffer] lijkt niet tot hem te zijn doorgedrongen, terwijl hij zich evenmin bereid heeft getoond zich te verdiepen in de drijfveren en motieven die hem tot zijn daad hebben gebracht. Aan het onderzoek van het Pieter Baan Centrum heeft hij geweigerd mee te werken, hetgeen ook geldt voor de onderzoeken van de psychologen Van Asselt en Boer, zodat geen nader inzicht in de persoon van de verdachte kon worden verkregen.
Het hof is van oordeel dat bij deze stand van zaken slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur recht doet aan de aard en de ernst van de feiten, in het bijzonder de poging tot moord. Het hof zal een hogere gevangenisstraf opleggen dan de rechtbank, nu het poging tot moord in plaats van poging tot doodslag bewezen acht.
Het hof zal bij de strafoplegging rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu tussen het instellen van het hoger beroep door de verdachte en de uitspraak van heden een termijn van bijna drie jaar is verstreken, en slechts een relatief beperkt deel daarvan voor rekening komt van de verdachte. Deze overschrijding zal worden verdisconteerd in de hoogte van de op te leggen straf in die zin dat daarop één maand in mindering wordt gebracht.
Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 5 juni 2012 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Beslag
Het in de zaak A onder 1, 2 onderscheidenlijk 3 bewezen verklaarde is begaan met behulp van de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.
Vordering van de benadeelde partij [bedrijf](zaak B)
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 57.400,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak B primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 57, 289 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A (met parketnummer 13-410449-09) onder 1, 2 en 3 en in zaak B (met parketnummer 13-413291-08) primair ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in zaak A (met parketnummer 13-410449-09) onder 1, 2 en 3 en in zaak B (met parketnummer 13-413291-08) primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) jaren en 11 (elf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
2. 1.00 STK Spuitbus, PFEFFER ABWEHR Pepper, pepperspray (360212);
3. 1.00 STK Ploertendoder Kl: zwart, metaal met softgrip handvat (360221);
7. 1.00 STK Patroon, GECO 7.65, 3606337;
8. 37.00 STK Patroon, 3606339; 32 patronen s&b/ 5 patronen 9mm mms lugr;
9. 1.00 STK, 3607041; is verwijderd uit de rechterarm van slo;
10. 1.00 STK Huls SELLIER&BELLOT 9x19, 3606217; huls;
11. 1.00 STK Huls SELLIER&BELLOT 9x19, 3606218; huls;
12. 1.00 STK Huls SELLIER&BELLOT 9x19, 3606224; huls;
13.1.00 STK Huls SELLIER&BELLOT 9x19, 3606225; huls;
14.1.00 STK Huls SELLIER&BELLOT 9x19, 3606228; huls;
15.1.00 STK Huls SELLIER&BELLOT 9x19, 3606231; huls;
16.1.00 STK Huls SELLIER&BELLOT 9x19, 3606232; huls;
17.1.00 STK Huls SELLIER&BELLOT 9x19, 3606233; huls;
18.1.00 STK Huls SELLIER&BELLOT 9x19, 3606234; huls;
19.1.00 STK Huls SELLIER&BELLOT 9x19, 3606235; huls;
20. 1.00 STK Huls SELLIER&BELLOT 9x19, 3606238; huls;
21. 1.00 STK Munitie, 3606241; gedeformeerde kogel;
22. 1.00 STK Munitie, 3606246; kogel;
23. 1.00 STK Munitie, 3606256; manteldeel ;
24. 1.00 STK Munitie, 3606264; manteldeel ;
25. 1.00 STK Munitie, 3606266; manteldeel .
Gelast de teruggave aan [betrokkene 2] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1. 1.00 STK Spuitbus, X-MARKER pepper, pepperspray (3606254)
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
4. 1.00 STK Zak Kl: Wit, ATLANTIC Plastic (3606323);
5. 1.00 STK Fles, NAAIMACHINE Olie, Flesje (3606325);
6. 1.00 STK Schoonmaakmiddel, 3 M SANDBLASTER, Schuurspons (3606326)
Gelast de teruggave aan [bedrijf] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 1.00 STK Videoband,TDK HS240 (3442586)
Vordering van de benadeelde partij [bedrijf]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bedrijf] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-413291-08 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 57.400,00 (zevenenvijftigduizend en vierhonderd euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 september 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bedrijf], een bedrag te betalen van € 57.400,00 (zevenenvijftigduizend en vierhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 309 (driehonderdnegen) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 september 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. W.M.C. Tilleman en mr. M.R. Cox, in tegenwoordigheid van mr. A. Wilkens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 februari 2013.
Mr. Cox is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.