ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ6137
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs bijstandsfraude door onbekendheid met vermogensgrens
De verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk niet tijdig verstrekken van gegevens over een vermogen hoger dan de vermogensgrens, waardoor hij onterecht bijstand zou hebben ontvangen. De tenlastelegging betrof de periode van juli 2006 tot maart 2010 en was gericht op het niet melden van vermogen aan de Dienst Werk en Inkomen te Amsterdam.
Het hof oordeelde dat de tenlastelegging niet innerlijk tegenstrijdig of onbegrijpelijk was, hoewel de Wet werk en bijstand niet vereist dat de aanvrager zelf het vermogen uitrekent. De verdachte werd verweten dat hij op de hoogte was van het feit dat zijn vermogen boven de grens uitkwam, zonder dat hij dit had gemeld.
Uit het bewijs bleek wel dat onroerende goederen in Turkije niet waren opgegeven, maar het was niet bewezen dat de verdachte wist dat het totale vermogen boven de vermogensgrens lag. Hierdoor kon het hof niet tot een veroordeling komen en sprak het de verdachte vrij van de tenlastelegging.
Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht door vrijspraak uit te spreken. Deze uitspraak is gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 28 maart 2013.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij wist dat zijn vermogen boven de vermogensgrens lag.