ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ6964
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- G.B.C.M. van der Reep
- M.P. van Achterberg
- D.J. Oranje
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over financiële last en restschulden effectenleaseovereenkomsten
In deze zaak stond de vraag centraal of de appellant bij het aangaan van vier effectenleaseovereenkomsten in 2001 werd geconfronteerd met een financieel onaanvaardbaar zware last. Het hof stelde vast dat appellant beschikte over aanzienlijke spaartegoeden van minimaal €238.000 in de jaren 1997 tot en met 2001, waardoor hij de verplichtingen uit de leaseovereenkomsten, ter grootte van circa €27.179, kon voldoen. Hierdoor oordeelde het hof dat geen sprake was van een onaanvaardbare financiële last.
Het hof nam daarbij mee dat appellant geen gebruik had gemaakt van de gelegenheid om nadere informatie te verstrekken over zijn vermogen in 2001, zodat het uitging van de beschikbare biljetten van een belastingproces. Dexia stelde dat appellant onvoldoende ervaring had met beleggingsproducten om het risico van restschulden te overzien, maar het hof vond dit onvoldoende onderbouwd.
Gelet op de schending van de waarschuwingsplicht kwam tweederde deel van de restschuld voor vergoeding in aanmerking, maar rekening houdend met verrekening van eerdere batige saldi, moest appellant nog €22.996 aan Dexia betalen. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter, wees de vordering van appellant af en veroordeelde hem tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 16 maart 2005.
De proceskosten van de eerste aanleg werden tussen partijen verrekend, terwijl appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het arrest werd op 5 maart 2013 uitgesproken door de meervoudige kamer van het Gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Appellant wordt veroordeeld tot betaling van €22.996 plus wettelijke rente aan Dexia en de proceskosten van het hoger beroep.