ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ8605
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- G.J. Driessen-Poortvliet
- C.G. Kleene-Eijk
- W.J. van den Bergh
- Rechtspraak.nl
Toepasselijk recht op erfopvolging volgens Haags Erfrechtverdrag bij gemengde woon- en nationaliteitsbanden
In deze civiele zaak stond de vraag centraal welk recht van toepassing is op de erfopvolging van de overledene, die zowel banden had met Nederland als met een ander land. De overledene was van Nederlandse nationaliteit en had zijn gewone verblijfplaats deels in Nederland en deels in het buitenland. Het Haags Erfrechtverdrag (HEV) bepaalt dat het recht van het land van de gewone verblijfplaats van de overledene geldt, mits hij ook de nationaliteit van dat land bezit, of bij langdurig verblijf in dat land.
De erfgenaam betwistte dat de overledene zijn gewone verblijfplaats in het buitenland had, terwijl de weduwe dit stelde. Het hof oordeelde dat zelfs als de overledene zijn gewone verblijfplaats in het buitenland had, niet aan de voorwaarde van de nationaliteit van dat land was voldaan. Ook de uitzondering dat de overledene nauwere banden met zijn nationaliteitsland had, werd door het hof bevestigd op basis van feiten zoals inschrijving in de Nederlandse basisadministratie, eigendom en regelmatig verblijf in een woning in Nederland, familiebanden, Nederlandse ziektekostenverzekering en AOW-uitkering.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank dat Nederlands erfrecht van toepassing is en wees de vorderingen van de weduwe af. Tevens werd zij veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. De zaak illustreert de toepassing van het Haags Erfrechtverdrag bij complexe internationale situaties met meerdere woonplaatsen en nationaliteiten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat Nederlands erfrecht van toepassing is op de nalatenschap en veroordeelt de weduwe in de proceskosten.