In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor bedreiging van een portier van een club in Amsterdam op 13 februari 2011. De verdachte toonde zijn tatoeages en sprak meerdere dreigende woorden uit, waaronder dat hij de portiers zou afmaken en dat zij geschoten zouden worden. De bedreigde portier kon hierdoor in redelijkheid vrezen voor zijn leven.
De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een geldboete van €310, subsidiair zes dagen hechtenis. De verdachte ging in hoger beroep tegen dit vonnis. Het hof nam kennis van de pleidooien en de bewijsstukken, waaronder verklaringen van het slachtoffer en getuigen, en het proces-verbaal.
Het hof oordeelde dat de bedreiging wettig en overtuigend bewezen was en dat de woorden en gedragingen van de verdachte voldoende ernstig waren om bij het slachtoffer de redelijke vrees voor het verliezen van zijn leven te doen ontstaan. Het verweer dat de bedreiging niet specifiek tegen het slachtoffer was gericht, werd verworpen.
Gezien de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het werd gepleegd en de eerdere veroordelingen van de verdachte, handhaafde het hof de opgelegde geldboete van €310 met zes dagen hechtenis. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht met deze strafoplegging.