Uitspraak
mr. I.M. Redertte Utrecht,
mr. J.J. van Dortte Naarden.
Gerechtshof Amsterdam
Appellant vorderde voortzetting van de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro na het overlijden van zijn moeder, die de woning huurde. Hij stelde dat hij met zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde sinds zijn terugkeer uit New York in 2003 om voor haar te zorgen.
Het hof stelde vast dat appellant sinds zijn geboorte tot 2002 onafgebroken in het gehuurde woonde en vanaf 2003 weer zijn hoofdverblijf daar had. De zorg voor zijn moeder was ingegeven door haar verslechterende gezondheid, maar dit was geen subjectieve keuze om blijvend samen te wonen met een verwachting voor de toekomst.
Hoewel appellant diverse taken verrichtte en financiële bijdragen leverde, oordeelde het hof dat dit niet volstond om te spreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De vordering werd daarom afgewezen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst wordt afgewezen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.