ECLI:NL:GHAMS:2014:1508
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof bevestigt noodzaak langdurige uithuisplaatsing minderjarige bij vader
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de kinderrechter waarin een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de vader werd verleend voor een beperkte periode. De moeder betwistte de noodzaak van deze uithuisplaatsing en voerde aan dat de thuissituatie veilig was en dat onderzoek vanuit huis kon plaatsvinden. BJAA stelde dat de uithuisplaatsing noodzakelijk bleef vanwege de problematische opvoedingssituatie en het gebrek aan medewerking van de moeder.
Het hof overwoog dat er al langere tijd zorgen waren over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige, waaronder een loyaliteitsconflict en gedragsverschillen afhankelijk van de verblijfplaats. De moeder vertoonde een dwingende en negatieve houding, toonde onvoldoende inzicht in de behoeften van het kind en werkte niet voldoende mee aan hulpverlening. Daarnaast was er sprake van incidenten waarbij de moeder het kind zou hebben geslagen.
De samenwerking met de moeder verliep moeizaam, en er was geen contact tussen moeder en kind sinds de uithuisplaatsing. Het hof achtte de veilige ontwikkeling van de minderjarige onvoldoende gewaarborgd bij de moeder en vond een langere uithuisplaatsing bij de vader noodzakelijk. De stelling van de moeder dat de situatie bij de vader onveilig was, werd onvoldoende onderbouwd. Het hof vernietigde de eerdere beschikking en verlengde de machtiging tot uithuisplaatsing tot het einde van de ondertoezichtstelling op 4 oktober 2014.
Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de vader wordt verlengd tot het einde van de ondertoezichtstelling op 4 oktober 2014.