Uitspraak
mr. H. Ravenshorstte Zutphen,
mr. C. Ravesteijnte Amsterdam.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen, de man en de vrouw, hebben van augustus 2004 tot januari 2007 samengewoond en gezamenlijk twee woningen met hypotheken en levensverzekeringen verkregen. Na het uiteengaan is de woning in [b] aan de man en de woning in [a] aan de vrouw toegedeeld, inclusief de daarbij behorende hypotheken en levensverzekeringen.
De man vorderde in hoger beroep een verrekening van onderlinge schulden en betalingen, waaronder een vermeerdering van de eis tot een bedrag van € 47.650,-, gebaseerd op diverse bankafschriften en stellingen over gezamenlijke aankopen en betalingen tijdens de samenleving. Het hof oordeelde dat deze vermeerdering van eis te laat en in strijd met de goede procesorde was en wees deze af.
Verder stelde het hof vast dat de man niet slaagde in zijn bewijsopdracht dat partijen een voorbehoud hadden gemaakt over verrekening bij de toedeling van de woningen. De rechtbank en het hof namen de bewijswaardering over en oordeelden dat partijen elkaar niets verschuldigd zijn uit hoofde van overbedeling.
Het hof achtte het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de man ruim zes jaar na het einde van de samenleving aanspraak maakt op verrekening van diverse bedragen. De vonnissen van de rechtbank werden bekrachtigd, waarbij de man werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep en de verzekeringspolis aan hem werd toegedeeld.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vonnissen en wijst de vermeerdering van eis tot verrekening van bedragen af als onaanvaardbaar.