Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen, de man en de vrouw, hebben een relatie gehad die in oktober 2010 eindigde en gezamenlijk gezag over hun kind, geboren in 2005. De zorgregeling en kinderalimentatie waren vastgelegd in een convenant uit 2011. De man kwam in hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Alkmaar over de zorgregeling en alimentatie, terwijl de vrouw incidenteel hoger beroep instelde.
Het hof handhaafde de zorgregeling zoals vastgesteld door de rechtbank, waarbij het kind één weekend per twee weken bij de man verblijft van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.30 uur. Verzoeken van de man tot uitbreiding van de omgang en wijziging van het halen en brengen werden afgewezen, mede op advies van de Raad voor de Kinderbescherming. De vrouw werd niet-ontvankelijk verklaard in haar incidentele verzoek tot verhoging van de kinderalimentatie.
De kinderalimentatie werd door het hof vastgesteld op €376 per maand, rekening houdend met de draagkracht van partijen, de zorgkorting en de actuele alimentatienormen. De man dient deze bijdrage vanaf heden bij vooruitbetaling te voldoen. Verzoeken tot proceskostenveroordeling werden afgewezen. De beschikking werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht met de genoemde bepalingen.
Uitkomst: Het hof stelde een zorgregeling vast met één weekend per twee weken omgang en bepaalde een kinderalimentatie van €376 per maand.