Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep
3.Slotsom
De kosten van de procedure in eerste aanleg worden begroot op:
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele procedure in hoger beroep staat de vraag centraal welke stukken onder de uitzonderingsbepalingen van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) vallen en dus niet aan appellant verstrekt hoeven te worden. Het hof verwijst naar eerdere beschikkingen en overwegingen en behandelt de onduidelijkheden rondom de betrokkenheid van medisch adviseurs dr. X en de heer W bij het dossier van appellant.
Medirisk heeft onvoldoende onderbouwd waarom bepaalde stukken niet verstrekt zouden moeten worden en heeft niet kunnen aantonen dat de uitzonderingsbepalingen van artikel 2 en Pro/of artikel 43 Wbp Pro van toepassing zijn. Het hof wijzigt zijn eerdere beslissing dat een rapport van dr. X niet bestaat en dus niet kan worden overgelegd. Verder wordt een stuk van 7 mei 2013 als vallend onder de advocaten-exceptie aangemerkt en hoeft niet te worden verstrekt.
Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank Utrecht, bevestigt dat Medirisk de overige stukken moet verstrekken, en wijst het verzoek om een dwangsom af. Vanwege het grotendeels in het gelijk stellen van appellant veroordeelt het hof Medirisk in de proceskosten van zowel eerste aanleg als hoger beroep.
Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en bepaalt dat Medirisk de gevraagde stukken moet verstrekken, met uitzondering van één stuk, en veroordeelt Medirisk in de proceskosten.