Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
[APPELLANT],handelend in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Interieurbouw Dongen B.V.,
1.[GEÏNTIMEERDE SUB 1],
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid JAYA B.V., gevestigd te Gouda
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
primairdat, omdat het pandrecht van Luta kenbaar was gemaakt voordat de vorderingen (van de Postma Groep) aan BHO waren gecedeerd, BHO niet gerechtigd was deze vorderingen met de verpande vorderingen te verrekenen, dat derhalve BHO in verzuim is geraakt en dat BPD in de brief van 7 januari 2007 een leverstop heeft mogen afkondigen (en niet zelf in de nakoming van haar verplichtingen jegens BHO is tekortgeschoten),
subsidiairdat het vonnis, waarvan in verzet is gekomen, geen gezag van gewijsde heeft jegens [geïntimeerden] en meer subsidiair dat de rechtbank het vonnis, waarvan in verzet is gekomen, zodanig zal wijzigen dat het de rechten van [geïntimeerden] niet langer benadeelt.
grief 1Aklaagt [appellant] dat het vonnis is gewezen op grond van een onvolledig procesdossier.
grief 1Bvoert [appellant] aan dat het derdenverzet door [geïntimeerden] te laat is ingesteld en dat [geïntimeerden] om die reden in hun verzet niet ontvankelijk verklaard hadden moeten worden.
grief 2voert [appellant] aan dat het recht van derdenverzet aan [geïntimeerden] niet toekomt omdat zij, als (indirect) bestuurders van Luta, beschouwd dienen te worden als personen die Luta in die procedure “wettiglijk [hebben] vertegenwoordigd”, zoals bedoeld in artikel 376 Rv Pro.
grief 3verdedigt [appellant] dat [geïntimeerden], omdat zij partij waren in de twee andere door de rechtbank in het vonnis van 13 mei 2009 berechte zaken, geacht moeten worden ook partij te zijn geweest de zaak 08-2615. Dit standpunt is, nu tussen partijen vaststaat dat [geïntimeerden] zich niet hebben gevoegd in de zaak 08-2615, terecht door de rechtbank verworpen. De grief faalt. In art. 376 Rv Pro is met voeging bedoeld de voeging van een partij in het geding als bedoeld in art. 217 Rv Pro, niet de voeging van samenhangende zaken als bedoeld in art. 222 Rv Pro.
grief 4Bverdedigt [appellant] dat het door [geïntimeerden] ingestelde derdenverzet niet voor toewijzing in aanmerking komt omdat dit derdenverzet ziet op een vordering tot voldoening van een verbintenis uit de boedel. Het hof constateert dat het onderhavige derdenverzet op een dergelijke vordering geen betrekking heeft. De grief faalt reeds om die reden.
grief 4Avoert [appellant] aan dat het vonnis dient te worden vernietigd omdat [geïntimeerden] door het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 mei 2009 in de zaak 08-2615 niet worden benadeeld. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
4.Beslissing
woensdag 25 juni 2014 om 13.30 uur;
binnen twee weken na hedenschriftelijk aan het enquêtebureau van het hof mee te delen, onder gelijktijdige opgaaf van de verhinderdata van beide partijen, in de
maanden juni, juli en september 2014;