ECLI:NL:GHAMS:2014:2392

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 juni 2014
Publicatiedatum
25 juni 2014
Zaaknummer
23-000717-11
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 410 lid 1 SvArt. 422 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van medeplegen geweld op openbare weg

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam waarin verdachte was vrijgesproken van hulp aan daders en medeplegen van intimidatie. Het openbaar ministerie stelde hoger beroep in, maar diende de schriftuur te laat in. Het hof oordeelde dat deze overschrijding aanzienlijk was en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in hoger beroep.

Ten aanzien van de tenlastelegging van medeplegen geweld op 23 januari 2009 te Amsterdam, oordeelde het hof dat niet wettig en overtuigend was bewezen dat verdachte deel uitmaakte van de groep die het geweld pleegde. Dit oordeel was mede gebaseerd op verklaringen van het slachtoffer, medeverdachten en een voormalig werkgever van verdachte.

Daarom sprak het hof verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde geweldsfeit. Tevens wees het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke jeugddetentie af, aangezien verdachte werd vrijgesproken. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 24 juni 2014.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van medeplegen geweld wegens onvoldoende bewijs en het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep.

Uitspraak

parketnummer: 23-000717-11
datum uitspraak: 24 juni 2014
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 februari 2011 in de strafzaak onder de parketnummers 13-410199-09 (waarvan de in eerste aanleg gevoegde feiten met parketnummer 13-41470-09 in hoger beroep zijn afgesplitst onder parketnummer 23-005208-12) [1] en 13-447736-07 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 juni 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam op 21 februari 2011 vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde hulp aan daders van misdrijven en de onder 3 ten laste gelegde medeplegen van intimidatie. Het openbaar ministerie heeft op 1 maart 2011 hoger beroep ingesteld. Op 11 mei 2011 heeft de officier van justitie een schriftuur ingediend. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat het een complexe zaak betreft, waarin meer tijd voor het opstellen van de grieven nodig bleek en dat er sprake is van slecht een geringe overschrijding van de termijn waarbinnen de schriftuur moet worden ingediend, zodat het openbaar ministerie ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep.
De raadsvrouw heeft onder meer bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde hoger beroep, nu de schriftuur hoger beroep niet tijdig is ingediend.
Het hof stelt vast dat de officier van justitie niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur heeft ingediend bij de griffie van de rechtbank, zodat de daarvoor in artikel 410 lid 1 Sv Pro gestelde termijn met zes weken is overschreden.
Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat er sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de termijn, terwijl door het openbaar ministerie daar geen zwaarwegende redenen voor zijn aangevoerd. Onder die omstandigheden heeft het hof geoordeeld dat - bij afweging van de belangen – het belang van de geschonden wetsbepaling zwaarder weegt dan het belang van strafvordering in dit appel.
Gelet hierop heeft het hof de officier van justitie ter terechtzitting in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,
2:
hij op of omstreeks 23 januari 2009 te Amsterdam met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, een onderdoorgang van de Osdorperban/Nieuwelaan, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het klemzetten/omsingelen van die [slachtoffer] en/of het duwen van die [slachtoffer] naar die onderdoorgang en/of het één- of meermalen slaan en/of stompen in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer].
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Het hof is van oordeel dat onvoldoende kan worden vastgesteld dat de verdachte onderdeel heeft uitgemaakt van de groep die bij het openlijk geweld aanwezig was op 23 januari 2009 te Amsterdam, met name gelet op de ten overstaan van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, op 2 april 2013 afgelegde verklaringen van aangever [slachtoffer], de voormalig werkgever van verdachte, [medeverdachte 1], en [medeverdachte 2]. Nu niet als vaststaand kan worden aangenomen dat verdachte bij voornoemd incident aanwezig was, dient de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van te Amsterdam van 14 september 2007 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 30 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Nu verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 5 maart 2009, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 14 september 2007, parketnummer 13-447736-07, voorwaardelijk opgelegde
jeugddetentievoor de duur van
30 (dertig) dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D. Radder, mr. M.J.G.B. Heutink en mr. J.G.W. Willems-Morsink, in tegenwoordigheid van mr. M. Boelens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 juni 2014.
Mr. J.G.W. Willems-Morsink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[...]

Voetnoten

1.In welke zaak ook op 24 juni 2014 arrest wordt gewezen.