Uitspraak
mr. J.W.J. Hijnen,kantoorhoudende te Enkhuizen,
mr. J.F.R. Eisenberger, kantoorhoudende te Amsterdam.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak staat centraal de vraag of de intrekking van een 403-verklaring door [[A]]Beleggingen B.V. (hierna [[A]B]) de overblijvende aansprakelijkheid jegens [X], werknemer van Schildersbedrijf, beëindigt. De rechtbank Noord-Holland had geoordeeld dat de aansprakelijkheid van [[A]B] voor de ontbindingsvergoeding aan [X] blijft bestaan, en stelde dat het verzet van [X] tegen beëindiging van deze aansprakelijkheid gegrond was.
[[A]B] ging hiertegen in hoger beroep en voerde onder meer aan dat de schuld voortvloeit uit een arbeidsovereenkomst die voorafging aan de 403-verklaring, dat de ontbinding door de werknemer was verzocht, en dat de vergoeding pas na intrekking van de verklaring opeisbaar werd. Ook stelde zij dat de overblijvende aansprakelijkheid reeds was geëindigd twee maanden na publicatie van het voornemen tot beëindiging.
De Ondernemingskamer oordeelde dat de 403-verklaring ook geldt voor schulden voortvloeiend uit duurovereenkomsten die vóór de verklaring zijn aangegaan, zolang deze tijdens het aansprakelijkheidstijdvak ontstaan. De ontbindingsvergoeding valt hier duidelijk onder. Het verzet van [X] was tijdig ingediend, waardoor de aansprakelijkheid niet is geëindigd. Tevens verwierp de Kamer het beroep op redelijkheid en billijkheid om de aansprakelijkheid te beperken, mede vanwege het ontbreken van bewijs dat [X] op de hoogte was van de ontvlechting van de groep.
De Ondernemingskamer bekrachtigde de beschikking van de rechtbank, veroordeelde [[A]B] in de kosten van het geding en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hoger beroep van [[A]]Beleggingen B.V. wordt ongegrond verklaard en de beschikking van de rechtbank Noord-Holland wordt bekrachtigd.