Uitspraak
mr. R. Gardeslente Amsterdam,
mr. P.J. Montanuste Den Haag.
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
4.Beslissing
in principaal en in incidenteel appel:
Gerechtshof Amsterdam
Partijen, die sinds 1990 een affectieve relatie hadden, waren gezamenlijk eigenaar van een woning. Na hun uiteengaan woonde de man er met zijn nieuwe gezin. De vrouw had een flexibel krediet afgesloten, waarvan een aanzienlijk deel ten behoeve van de onderneming van de man is gebruikt.
De rechtbank had geoordeeld dat het krediet als gezamenlijke schuld moet worden beschouwd en dat de man de helft van het reeds afgeloste bedrag aan de vrouw moest betalen. Tevens werd bepaald dat de woning verkocht moest worden en dat de netto-opbrengst gelijk verdeeld zou worden.
In hoger beroep betwistte de man zijn betalingsverplichtingen en medewerking aan verkoop. Het hof oordeelde dat het bewijs overtuigend was dat het krediet grotendeels ten goede kwam aan de onderneming van de man en dat hij ongerechtvaardigd verrijkt was. Daarom werd hij veroordeeld tot betaling van €16.081,49 plus wettelijke rente en tot medewerking aan de verkoop via een makelaar. Bij weigering kan de vrouw namens hem handelen, met een dwangsom bij niet-naleving.
De grieven van de man werden afgewezen, en de vrouw kreeg gedeeltelijk gelijk in haar incidenteel appel. De kosten van het hoger beroep werden aan de man opgelegd.
Uitkomst: De man is veroordeeld tot betaling van €16.081,49 en medewerking aan verkoop van de woning, met dwangsom bij weigering.