In deze zaak in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam staat het geschil tussen de man en vrouw centraal over het ouderlijk gezag, de hoofdverblijfplaats, zorgregeling, informatieregeling en onderhoudsplicht ten aanzien van hun minderjarige kind.
Het huwelijk van partijen is ontbonden en de minderjarige woont sinds zijn derde levensjaar bij de moeder in Brazilië. Het hof vroeg de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten naar het belang van het kind, maar dit bleek onuitvoerbaar door gebrek aan medewerking vanuit Brazilië. De man verzocht primair om aanhouding van de zaak in afwachting van procedures in Brazilië, maar het hof wees dit af en besloot zelf uitspraak te doen.
Het hof verklaarde dat beide ouders gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag. Het verzoek van de man om de hoofdverblijfplaats bij hem in Nederland vast te stellen werd afgewezen, mede vanwege de langdurige verblijfssituatie van het kind bij de moeder in Brazilië en het ontbreken van aanwijzingen dat de moeder niet goed voor het kind zorgt. Ook het verzoek tot een nieuwe zorgregeling en informatieregeling werd afgewezen, waarbij het hof oordeelde dat de bestaande regeling voldoende was. Het verzoek tot opschorting van de onderhoudsplicht werd eveneens afgewezen wegens gebrek aan belang.
De beschikking van de rechtbank werd voor zover nodig vernietigd en in zoverre opnieuw beslist, waarbij de gezamenlijke gezagsregeling werd bevestigd en de overige verzoeken van de man werden afgewezen.