Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- mevrouw A. Hogendorp namens de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, lokatie Alkmaar (hierna: de Raad).
2.De feiten
- is de situatie van [de minderjarige] zodanig gewijzigd dat het niet langer in het belang van [de minderjarige] kan worden geacht om het eenhoofdig gezag te handhaven;
- kan – indien de man (tevens) met het gezag belast zou worden – wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] in haar belang geacht worden;
- welke omgangsregeling met de vrouw respectievelijk de man kan in het belang van [de minderjarige] worden geacht.
- is bepaald dat de vrouw de man ieder kwartaal dient te informeren over gewichtige aangelegenheden en de ontwikkeling van [de minderjarige], waarbij de vrouw telkens ten minste één recente foto stuurt waarop het gezicht van [de minderjarige] duidelijk te zien is;
- is bepaald dat de vrouw de man de eerste drie keer op 1 maart 2014, 1 mei 2014 en op 1 juli 2014 dient te informeren en daarna telkens op de eerste dag van een nieuw kwartaal, ingaande op 1 oktober 2014;
- is bepaald dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 1.000,- voor iedere keer dat zij de vastgestelde informatieregeling niet nakomt;