ECLI:NL:GHAMS:2014:3292

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 juni 2014
Publicatiedatum
14 augustus 2014
Zaaknummer
23-001183-14
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep jeugdige verdachte: aangepaste strafoplegging bij positieve ontwikkeling

In deze zaak stond een jeugdige verdachte terecht voor meerdere ernstige strafbare feiten, waaronder openlijk geweld, mishandeling, opzetheling en afpersing. De rechtbank had een onvoorwaardelijke jeugddetentie van zes maanden opgelegd, waarvan drie maanden voorwaardelijk, naast een taakstraf en een leerstraf.

Het gerechtshof Amsterdam vernietigde het vonnis van de rechtbank voor wat betreft de strafoplegging en de schadevergoedingsmaatregelen en legde een nieuwe straf op. Het hof hield rekening met de ernst van de feiten en de negatieve gedragskenmerken van de verdachte, maar ook met positieve ontwikkelingen zoals het hervatten van school en een verbeterde thuissituatie.

Daarom werd een werkstraf van 160 uur, een leerstraf van 35 uur en een voorwaardelijke jeugddetentie van drie maanden met een proeftijd van twee jaar opgelegd. De verdachte moet zich gedurende de proeftijd onder toezicht van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam stellen en hulp en steun ontvangen.

Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan drie benadeelde partijen, met vervangende jeugddetentie van één dag per schadevergoedingsmaatregel om de naleving te bevorderen. De eerdere beslissing tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke taakstraf bleef in stand.

Het arrest benadrukt het belang van het stimuleren van positieve gedragsverandering bij jeugdige delinquenten en het voorkomen van recidive door een combinatie van straf en zorgmaatregelen.

Uitkomst: De verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 160 uur, leerstraf van 35 uur en een voorwaardelijke jeugddetentie van drie maanden met toezicht en schadevergoedingen aan benadeelden.

Uitspraak

parketnummer: 23-001183-14
datum uitspraak: 19 juni 2014
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 maart 2014 in de strafzaak onder de parketnummers 13-684226-13 en 13-860588-12 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 juni 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de straffen en de maatregelen die zijn opgelegd en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen. In zoverre wordt het vonnis vernietigd.
Voorts wordt de motivering van de straffen en maatregelen in het vonnis door de navolgende motivering vervangen.

Oplegging van straffen en maatregelen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde,
onderscheidenlijk openlijk geweld, mishandeling, opzetheling, afpersing en afpersing gepleegd op de openbare weg, veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van zes (6) maanden, waarvan drie (3) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met een bijzondere voorwaarde, alsmede een taakstraf bestaande uit een leerstraf TACT individueel voor de duur van 35 uren, subsidiair 17 dagen jeugddetentie. De rechtbank heeft voorts de schadevergoedingsmaatregel opgelegd ten aanzien van door benadeelde partijen geleden schade.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke werkstraf van 160 uur met aftrek, de leerstraf TACT individueel en drie maanden jeugddetentie geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarde de maatregel hulp en steun. Daarnaast heeft de advocaat-generaal de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde taakstraf van twintig uren gevorderd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft in een korte periode meerdere ernstige strafbare feiten gepleegd. Uit rapportage komt naar voren dat hij respectloos en provocerend is en dat hij moeite heeft met gezag. Op 6 maart 2014 is door de kinderrechter een ondertoezichtstelling uitgesproken waarbij de daarbij verzochte machtiging tot uithuisplaatsing niet is af gegeven om de verdachte en zijn ouders nog een kans te geven.
Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte weer naar school gaat en dat de thuissituatie rustig is geworden. Ondanks de positieve ontwikkelingen acht de raad voor de kinderbescherming, naast de ondertoezichtstelling jeugdreclassering, toezicht van BJAA in de vorm van de maatregel hulp en steun geboden.
Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 juni 2014 is de verdachte één maal eerder onherroepelijk veroordeeld van welke veroordeling de tenuitvoerlegging door de rechtbank is bevolen. Deze beslissing tot tenuitvoerlegging wordt door het hof in stand gelaten.
Gelet op de ernst en de hoeveelheid van de door de verdachte gepleegde misdrijven en de gevolgen die deze voor de respectieve slachtoffers (moeten) hebben gehad, zoals daarvan onder meer is gebleken uit de door de vertegenwoordiger van het minderjarige slachtoffer [slachtoffer 1] ter zitting afgelegde verklaring, is de eerder door de rechtbank opgelegde onvoorwaardelijke jeugddetentie alleszins passend. Het hof zal echter geen onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf opleggen om de hiervoor geschetste positieve ontwikkelingen niet te doorkruisen en – als de verdachte deze weet voort te zetten – de kans op herhaling van soortgelijke misdrijven te verminderen. Daarbij is voorts acht geslagen op het tijdsverloop sinds de feiten gepleegd zijn.
Het hof acht, alles afwegende, een werkstraf, een leerstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 141, 300, 312, 317 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 200,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Gelet op de persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden – zijn draagkracht daaronder begrepen – legt het hof een vervangende jeugddetentie op van één dag ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel. Anders dan de raadsman heeft bepleit ziet het hof in het gebrek aan draagkracht van de verdachte onvoldoende aanleiding af te zien van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 633,99. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Gelet op de persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden – zijn draagkracht daaronder begrepen – legt het hof een vervangende jeugddetentie op van één dag ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel. Anders dan de raadsman heeft bepleit ziet het hof in het gebrek aan draagkracht van de verdachte onvoldoende aanleiding af te zien van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 120,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 5 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Gelet op de persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden – zijn draagkracht daaronder begrepen – legt het hof een vervangende jeugddetentie op van één dag ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel. Anders dan de raadsman heeft bepleit ziet het hof in het gebrek aan draagkracht van de verdachte onvoldoende aanleiding af te zien van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straffen en maatregelen en ten aanzien van de vorderingen benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
werkstrafvoor de duur van
160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
80 (tachtig) dagen jeugddetentie.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
leerstrafvoor de duur van
35 (vijfendertig) uren,indien niet naar behoren verricht te vervangen door
17 (zeventien) dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat de leerstraf bestaat uit de training TACT individueel.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van
3 (drie) maanden.
Bepaalt dat de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de volledige proeftijd stelt onder toezicht van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam te Amsterdam en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, door of namens deze instelling te geven.
Geeft deze instelling opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarde hulp en steun te verlenen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van
€ 200,00 (tweehonderd euro) ter zake van materiële schadeen veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van
€ 200,00 (tweehonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
1 (één) dag jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van
€ 633,99 (zeshonderddrieëndertig euro en negenennegentig cent) ter zake van materiële schadeen veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van
€ 633,99 (zeshonderddrieëndertig euro en negenennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
1 (één) dag jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde tot het bedrag van
€ 120,00 (honderdtwintig euro) ter zake van materiële schadeen veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3], een bedrag te betalen van
€ 120,00 (honderdtwintig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
1 (één) dag jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.H.C. van Ginhoven, mr. C.N. Dalebout en mr. R.M. Vennix, in tegenwoordigheid van mr. M. Helmers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 juni 2014.
mr. R.M. Vennix is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[...]