ECLI:NL:GHAMS:2014:333

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 januari 2014
Publicatiedatum
13 februari 2014
Zaaknummer
200.136.133/03 OK
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • P. Ingelse
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:353 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek machtiging tot openbaarmaking onderzoeksverslag in civiele en strafrechtelijke procedures

In deze zaak hebben verzoekers, aandeelhouders van twee besloten vennootschappen, verzocht om machtiging op grond van artikel 2:353 lid 3 BW Pro om het onderzoeksverslag uit een enquêteprocedure te mogen gebruiken in aanhangige civiele en strafrechtelijke procedures tegen een voormalig bestuurder en een notaris. Het onderzoeksverslag was opgesteld naar aanleiding van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschappen vanaf september 2006.

De Ondernemingskamer overwoog dat het enquêterecht is bedoeld om openheid binnen de vennootschap te verkrijgen en dat het onderzoeksverslag in beginsel vertrouwelijk is. Het verslag mag slechts met machtiging van de voorzitter worden gebruikt voor mededelingen aan derden buiten de vennootschap. Verzoekers hebben onvoldoende toegelicht dat het belang van het gebruik van het verslag in de civiele en strafrechtelijke procedures verband houdt met de strekking van het enquêterecht.

Daarom heeft de voorzitter van de Ondernemingskamer het verzoek om machtiging afgewezen. Het verzoek om het verslag te gebruiken in procedures tegen de voormalig bestuurder in zijn hoedanigheid van executeur en bewindvoerder en tegen de notaris in haar hoedanigheid van boedelnotaris is niet gehonoreerd. De overige verweren behoefden geen behandeling.

Uitkomst: Het verzoek om machtiging tot het doen van mededelingen uit het onderzoeksverslag wordt afgewezen.

Uitspraak

beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
VOORZITTER ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer : 200.136.133/03 OK
beschikking van de voorzitter van de Ondernemingskamer van 16 januari 2014
inzake

1.[verzoeker 1],

wonende te Amsterdam,
2.
[verzoeker 2],
wonende te Amsterdam,
VERZOEKERS,
advocaat:
mr. J.A. Endtz, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster 1],
gevestigd te Baarn,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TANA NETTING NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Baarn,
VERWEERSTERS,
advocaat:
mr. J.A. Endtz, kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
[belanghebbende],
wonende te Baarn,
BELANGHEBBENDE,
advocaat voorheen: mr. J.M.K.P. Cornegoor
,kantoorhoudende te Amsterdam,
thans:
mr. Y. Borrius, kantoorhoudende te Amsterdam.

1.Het verloop van het geding

1.1
In het vervolg zullen verzoekers gezamenlijk [verzoekers] worden genoemd, verweersters ieder afzonderlijk worden aangeduid als [verweerster 1]en als Tana, en zal belanghebbende [belanghebbende] worden genoemd.
1.2
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 28 augustus 2012, 11 juni 2013, 26 augustus 2013 en 10 september 2013 in deze zaak.
1.3
Bij de beschikking van 28 augustus 2012 heeft de Ondernemingskamer – voor zover hier van belang – een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van [verweerster 1]en Tana over de periode vanaf 5 september 2006 en mr. P.A.M. Witteveen te Amsterdam aangewezen als onderzoeker.
1.4
Het verslag van het door mr. Witteveen verrichte onderzoek (hierna het onderzoeksverslag te noemen) is op 22 augustus 2013 ter griffie van de Ondernemingskamer neergelegd. Bij de op 26 augustus 2013 gegeven beschikking heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het onderzoeksverslag ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden.
1.5
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 25 oktober 2013, hebben verzoekers de voorzitter van de Ondernemingskamer verzocht hen op de voet van artikel 2:353 lid 3 BW Pro te machtigen het gehele onderzoeksverslag te mogen inbrengen in door hen aanhangig te maken gerechtelijke procedures tegen [belanghebbende] en notaris [A] (hierna: [A]).
1.6
Bij brief van 31 oktober 2013 heeft mr. Endtz namens [verweerster 1]en Tana de Ondernemingskamer bericht dat zij het verzoek van [verzoekers] ten volle ondersteunen.
1.7
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 14 november 2013, heeft [belanghebbende] de voorzitter van de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van [verzoekers] af te wijzen, subsidiair het verzoek slechts toe te wijzen na een nadere specificatie door [verzoekers], meer subsidiair, voor het geval het verzoek van [verzoekers] geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen, randvoorwaarden te verbinden aan de toewijzing van het verzoek. Voorts heeft [belanghebbende] – naar de voorzitter van de Ondernemingskamer begrijpt voorwaardelijk, voor het geval het verzoek van [verzoekers] geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen – verzocht hem aan te merken als belanghebbende in de zin van beschikking van de Ondernemingskamer van 26 augustus 2013 en hem machtiging te verstrekken om uit het onderzoeksverslag eveneens mededeling te (kunnen) doen.
1.8
Bij brief van 18 december 2013 heeft mr. Endtz – de Ondernemingskamer begrijpt: namens [verzoekers] en namens [verweerster 1]en Tana – de Ondernemingskamer bericht dat zij geen bezwaar hebben tegen inwilliging van het voorwaardelijk tegenverzoek van [belanghebbende].

2.De gronden van de beslissing

2.1
Ter ondersteuning van hun verzoek voeren [verzoekers] het volgende aan. [verzoekers] zijn voornemens een civiele procedure te entameren jegens [belanghebbende], voormalig bestuurder van [verweerster 1]en Tana, alsmede (strafrechtelijk) aangifte tegen hem te zullen doen, steeds in zijn hoedanigheid van executeur en (testamentair) bewindvoerder. Voorts zijn [verzoekers] voornemens een procedure aanhangig te maken jegens [A], aangezien [A] heeft gehandeld in strijd met de op haar als (boedel)notaris rustende zorgverplichtingen bij het passeren van de akten die in het onderzoeksverslag worden genoemd. Het onderzoeksverslag geeft – aldus nog steeds [verzoekers] – een goed beeld van het onrechtmatig handelen van [belanghebbende] en [A] en kan derhalve bijdragen aan het bewijs dat zij dienen te leveren in de procedures.
2.3
[belanghebbende] heeft verweer gevoerd tegen toewijzing van het verzoek. De voorzitter van de Ondernemingskamer zal deze verweren hierna voor zover nodig bespreken.
2.4
In de eerste plaats voert [belanghebbende] aan dat [verzoekers] de machtiging wensen met het oog op procedures jegens hem in zijn hoedanigheid van executeur en (testamentair) bewindvoerder over het vermogen van [verzoekers] en jegens [A] in haar hoedanigheid van boedelnotaris. Volgens [belanghebbende] hebben [verzoekers] geen rechtmatig en zwaarwegend belang om in deze geheel andere context mededelingen uit het onderzoeksverslag te mogen doen.
2.5
De Ondernemingskamer overweegt als volgt. Eén van de doeleinden van de enquête is het verkrijgen van opening van zaken binnen de vennootschap. Door middel van een door de Ondernemingskamer gelast onderzoek kan informatie worden gekregen die anders mogelijk niet te achterhalen zou zijn. Voor zover het verslag niet voor een ieder ter inzage ligt en behoudens de in de laatste zin van artikel 2:353 lid 3 BW Pro gemaakte uitzondering, staat het op grond van die bepaling alleen de rechtspersoon vrij aan derden mededelingen te doen uit het verslag, tenzij met machtiging van de voorzitter van de Ondernemingskamer. Uit het samenstel van deze bepalingen en uit aard en strekking van het enquêterecht vloeit voort dat het verslag in beginsel vertrouwelijk van aard is.
2.6
[verzoekers] hebben verzocht hen te machtigen om het onderzoeksverslag in te brengen in procedures waarin zij [belanghebbende] aanspreken in zijn hoedanigheid van executeur en (testamentair) bewindvoerder, onderscheidenlijk [A] aanspreken in haar hoedanigheid van boedelnotaris. [verzoekers] hebben niet althans onvoldoende toegelicht op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de betrokken procedures – dan wel hun belang om het onderzoeksverslag in die procedures in te brengen – verband houdt met voormelde strekking van het enquêterecht. Evenmin hebben zij toegelicht op grond waarvan machtiging wel zou kunnen en moeten worden verleend voor een doel buiten die strekking. De Ondernemingskamer zal het verzoek daarom afwijzen. De overige verweren behoeven geen behandeling.

3.De beslissing

De voorzitter van de Ondernemingskamer:
wijst het verzoek af.
De beschikking is gegeven door mr. P. Ingelse, voorzitter van de Ondernemingskamer, in tegenwoordigheid van mr. H.H.J. Zevenhuijzen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2014.