Uitspraak
de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie te Den Haag, door tussenkomst van de Raad voor de Rechtspraak, de Minister,
Gerechtshof Amsterdam
Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 24 april 2014 een nadere uitspraak gedaan over de vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende wegens overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase bij de rechtbank.
De zaak betreft twee belastingaanslagen (2005 en 2006) waarop bezwaar en beroep zijn ingesteld. De rechtbank deed uitspraak op 6 april 2012, waarbij de beroepsfase respectievelijk bijna 22 maanden en ruim 21 maanden duurde, wat neerkomt op een overschrijding van de redelijke termijn van circa 4 en 3 maanden.
Gezien het feit dat beide procedures vrijwel gelijktijdig liepen en dezelfde materie betroffen, besloot het hof de schadevergoeding te baseren op de procedure die het langst duurde en stelde deze vast op €500. De Minister van Veiligheid en Justitie werd veroordeeld tot betaling van deze vergoeding. Kostenvergoeding werd niet toegekend wegens ontbreken van bewijs van gemaakte proceskosten.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase.