Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.Het geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het hoger beroep
5.Beslissing
.
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank die haar ontheft van het gezag over haar minderjarige kind, geboren in 2007. De minderjarige is sinds 2007 onder toezicht gesteld en sinds 2010 geplaatst in een perspectief biedend pleeggezin. De moeder betwist de ontheffing en stelt dat zij nog een rol als medeopvoeder kan vervullen, mede gezien haar positieve ontwikkelingen.
De Raad voor de Kinderbescherming, LJR en de pleegouders stellen dat de ontheffing in het belang van de minderjarige is vanwege de ongeschiktheid en onmacht van de moeder om de verzorging en opvoeding adequaat te vervullen. De minderjarige heeft een belaste voorgeschiedenis, een hechtingsstoornis en specifieke opvoedingsbehoeften die de moeder niet kan bieden.
Het hof oordeelt dat de moeder onvoldoende in staat is om de opvoeding mede op zich te nemen en dat geen perspectief bestaat op terugkeer van de minderjarige naar de moeder. De kinderbeschermingsmaatregelen zijn onvoldoende om de dreiging af te wenden. Het hof bekrachtigt daarom de ontheffing van het gezag en bevestigt de benoeming van BJAA als voogd, waarbij BJAA de uitvoering aan LJR kan mandateren.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontheffing van het gezag van de moeder en bevestigt BJAA als voogd met mandaatmogelijkheid voor LJR.