Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter te Schiphol, waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk binnenbrengen van een hoeveelheid cocaïne in Nederland. De zaak betrof de invoer van 52 bollen cocaïne met een netto gewicht van 505,3 gram op 11 februari 2014.
Het hof oordeelde dat het eerdere vonnis niet voldeed aan de motiveringsvereisten van artikel 359, derde lid, Sv, en vernietigde het vonnis. Uit het bewijs, waaronder proces-verbaal en verklaringen van verdachte, bleek overtuigend dat verdachte de cocaïne heeft ingevoerd. Verdachte gaf wisselende verklaringen over het aantal bollen, maar het hof volgde de meest betrouwbare gegevens die overeenkomen met het proces-verbaal en foto’s.
De strafbaarheid van het feit en de verdachte werd bevestigd. De hoeveelheid cocaïne was bestemd voor handel, wat de ernst van het feit verhoogt. Verdachte had eerder een onherroepelijke veroordeling voor een Opiumwetdelict, wat recidive toont. Het hof achtte de door de rechtbank opgelegde straf van 6 maanden gevangenisstraf passend en bevestigde deze, met aftrek van voorarrest.
Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 19 september 2014.