Uitspraak
mr. A.A. den Hollanderte Middelharnis,
[…], overleden op 23 januari 2014,
mr. S. van der Hartte Amsterdam.
Gerechtshof Amsterdam
Appellante en geïntimeerde waren gehuwd, met huwelijkse voorwaarden die bepaalden dat appellante 40% van het gezamenlijke vermogen bij ontbinding van het huwelijk toekwam. In een dadingsovereenkomst van 9 april 2001 werd afgesproken dat geïntimeerde aan appellante 25% van het gezamenlijke vermogen per 31 december 2000 zou uitkeren, vastgesteld door een onafhankelijke accountant.
De accountant stelde het gezamenlijke vermogen vast op NLG 187.287.873,- met een aandeel voor appellante van NLG 46.821.968,-. Appellante ontving dit bedrag, maar verkreeg in 2010 fiscaal advies dat de waardering van fiscale latenties te hoog zou zijn vastgesteld. Zij vorderde daarop wijziging van de dadingsovereenkomst wegens dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden.
De rechtbank wees deze vorderingen af, en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof oordeelt dat de dadingsovereenkomst geen specifieke waarderingsgrondslagen voorschrijft en dat de accountant een bindende vaststelling heeft gedaan. Er is onvoldoende bewijs voor dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden. Ook is de waardering van fiscale latenties tegen nominale waarde niet onaanvaardbaar, gezien de uiteenlopende praktijkopvattingen.
De vordering tot inzage van administratieve stukken wordt eveneens afgewezen wegens gebrek aan belang. De proceskosten worden gecompenseerd vanwege de partnerrelatie tussen partijen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen tot wijziging van de dadingsovereenkomst af.