De verdachte werd beschuldigd van het rijden op een snorfiets zonder geldig rijbewijs op 16 juni 2011 te Amsterdam. Het hof onderzocht het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter dat was gebaseerd op een kennisgeving van bekeuring en een mini proces-verbaal.
De verdediging voerde aan dat het bewijs onrechtmatig was verkregen omdat niet kon worden vastgesteld dat sprake was van een staandehouding volgens de Wegenverkeerswet 1994, en dat het bewijs onvoldoende was omdat het ontbreken van een rijbewijs niet door meerdere bewijsmiddelen werd bevestigd. Het hof oordeelde dat het mini proces-verbaal een wettig bewijs was en dat het ontbreken van een expliciete vermelding van de bevoegdheid tot staandehouding geen onherstelbaar vormverzuim opleverde.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zonder rijbewijs reed en verklaarde het ten laste gelegde strafbaar. Gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden, en het feit dat het een oud feit betrof, legde het hof een voorwaardelijke geldboete van €250 op met een proeftijd van twee jaar en een subsidiaire straf van vijf dagen jeugddetentie.
De eerdere veroordeling werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht met deze strafoplegging.