Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen, de man en de vrouw, waren in een relatie die eindigde in oktober 2010 en hebben samen een minderjarige. Zij oefenden gezamenlijk het gezag uit en hadden een ouderschapsplan met afspraken over zorg en contact. Er ontstond een geschil over de kinderalimentatie, waarbij de man in hoger beroep ging tegen de door de rechtbank vastgestelde bijdrage.
De man betwistte het inkomensverlies van de vrouw na haar urenvermindering in 2012 en stelde dat dit verwijtbaar was. De vrouw stelde dat zij minder ging werken om de opvang van de minderjarige te kunnen verzorgen, wat het hof aannemelijk achtte. Het hof hield rekening met de feitelijke inkomens en omstandigheden, waaronder de zorgtoeslag en kindgebonden budget, en corrigeerde de draagkrachtberekening.
Het hof bepaalde dat de man een bijdrage van €155 per maand moest betalen van 1 september 2012 tot 1 januari 2013 en €185 per maand vanaf 1 januari 2013, waarbij de nieuwe richtlijnen van 2013 niet van toepassing werden verklaard. De beschikking van de rechtbank werd voor dat deel vernietigd en vervangen.
Uitkomst: De man moet vanaf 1 september 2012 €155 per maand en vanaf 1 januari 2013 €185 per maand aan kinderalimentatie betalen.