Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter waarin verdachte werd veroordeeld voor het verrichten van taxivervoer zonder vergunning op 13 maart 2012 te Amsterdam.
De verdachte ontkende het ten laste gelegde, maar het hof achtte op basis van het proces-verbaal van bevindingen en verklaringen van verbalisanten wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met een auto taxivervoer heeft verricht zonder vergunning. Het hof verwierp het verweer van uitlokking en twijfel over de identiteit.
De rechtbank had een geldboete opgelegd, maar het hof stelde vast dat gezien de ernst van het feit, de regelgeving ter bescherming van passagiers en de eerdere veroordelingen van verdachte, een taakstraf passend is. De verdachte kreeg een taakstraf van 40 uur met een vervangende hechtenis van 20 dagen opgelegd.
Het hof vernietigde het eerdere vonnis en de strafbeschikking en deed opnieuw recht. De verdachte werd vrijgesproken van overige tenlasteleggingen die niet bewezen waren.
De uitspraak benadrukt het belang van vergunningen voor taxivervoer en de risico's die snorders vormen voor passagiersveiligheid en verkeersveiligheid.