Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1998 gehuwd en zijn in 2012 feitelijk uit elkaar gegaan. Hun huwelijk is op 8 juli 2013 ontbonden. Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren. De man exploiteert een eenmanszaak met een teruglopend bedrijfsresultaat door economische omstandigheden, terwijl de vrouw twee dienstbetrekkingen heeft met een laag netto inkomen.
De rechtbank had een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vastgesteld op €168 per kind per maand, waartegen de man in hoger beroep ging. Het hof hanteerde de per 1 april 2013 geldende normen voor kinderalimentatie en nam het kindgebonden budget mee in de berekening van de behoefte van de kinderen. De gezamenlijke behoefte werd berekend op €598 per maand.
De draagkracht van de man werd vastgesteld op €90 per maand, rekening houdend met zijn netto besteedbaar inkomen, forfaitaire woonlasten en aflossing van een schuld aan de Belastingdienst. De draagkracht van de vrouw werd vastgesteld op €50 per maand. Aangezien de gezamenlijke draagkracht lager is dan de behoefte, werd de bijdrage van de man beperkt tot zijn draagkracht. De zorgkorting werd vastgesteld op €107 per maand, maar de man kon deze niet verzilveren vanwege het tekort aan gezamenlijke draagkracht.
Het hof bepaalde de bijdrage van de man op €30 per kind per maand met ingang van 1 mei 2013 en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Het verzoek tot schorsing van de beschikking werd afgewezen omdat het belang van de man was komen te vervallen.
Uitkomst: De man moet vanaf 1 mei 2013 een bijdrage van €30 per kind per maand betalen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.