In deze zaak stond de vraag centraal of de verzoeker, een niet-biologische halfbroer, ontvankelijk was in zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling met [X], het kind van de vrouw en de man. De verzoeker stelde dat er sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking, gebaseerd op contact en verzorging in de periode 2009-2011.
De vrouw en de man betwistten dit en stelden dat het contact sporadisch was en na juni 2011 vrijwel geheel was weggevallen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde het hof om de bestreden beschikking te vernietigen, omdat een omgangsregeling niet in het belang van het kind zou zijn.
Het hof oordeelde dat de verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er een nauwe persoonlijke betrekking bestond, mede omdat het contact beperkt en niet structureel was. Ook de schriftelijke getuigenverklaringen boden onvoldoende bewijs. Het hof verklaarde de verzoeker daarom niet-ontvankelijk in zijn verzoek en wees de proceskostenveroordelingen af.