Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1989 gehuwd en in 2010 gescheiden. In het echtscheidingsconvenant is afgesproken dat de man een maandelijkse uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw betaalt. De man verzocht in hoger beroep om deze uitkering met ingang van 1 juli 2012 te beëindigen wegens gewijzigde financiële omstandigheden.
Het hof oordeelt dat de draagkracht van de man inderdaad is gewijzigd door een daling van omzet en winst van zijn onderneming vanaf 2014. De man heeft aannemelijk gemaakt dat de gemiddelde winst vanaf 2014 niet hoger zal zijn dan € 25.000,- per jaar. De vrouw heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. De behoefte van de vrouw aan de uitkering staat vast.
Het hof bepaalt dat de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 januari 2014 op nihil wordt gesteld. Voor de periode van 7 januari 2013 tot 1 januari 2014 wordt de beschikking bekrachtigd. Een verzoek tot terugbetaling van reeds betaalde bedragen wordt afgewezen vanwege de beperkte financiële draagkracht van de vrouw. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De uitkering tot levensonderhoud van de vrouw wordt per 1 januari 2014 beëindigd, met bekrachtiging voor de periode daarvoor.