Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de vrouwis het volgende gebleken.
de manis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen, die tot 2004 een relatie hadden en vier kinderen samen hebben, sloten in 2004 een overeenkomst waarin de man een bijdrage van €125 per kind per maand aan kinderalimentatie zou betalen. De vrouw betoogde dat deze bijdrage met grove miskenning van de wettelijke maatstaven was vastgesteld en eiste een verhoging naar €222,50 per kind per maand, met wettelijke indexering vanaf 2005.
Het hof oordeelde dat de overeengekomen bedragen inderdaad een duidelijke wanverhouding vormden ten opzichte van wat de rechter op basis van de draagkracht en behoefte van partijen zou hebben vastgesteld. De man had onvoldoende onderbouwd dat de lagere bijdrage was overeengekomen vanwege de verdeling van huurinkomsten uit onroerend goed. Het hof stelde vast dat de draagkracht van de man voldoende is om vanaf 1 januari 2012 een hogere bijdrage van €256,54 per kind per maand te betalen.
De vrouw had verzocht om terugwerkende kracht vanaf 1 april 2004, maar het hof wees dit af wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van een direct verband met eerdere conflictueuze situaties. Ook wees het hof af de man te veroordelen tot betaling van achterstallige alimentatie over de periode vóór 2012. De kosten van de procedure werden niet aan de vrouw opgelegd.
De beschikking van de rechtbank werd vernietigd voor zover deze de alimentatiebedragen betrof en vervangen door de nieuwe vaststelling van de bijdrage vanaf 1 januari 2012. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De kinderalimentatie wordt vanaf 1 januari 2012 vastgesteld op €256,54 per kind per maand, met afwijzing van terugwerkende kracht en betaling van achterstallige alimentatie.