Uitspraak
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak stond de vaststelling van de kinderalimentatie centraal voor een minderjarige geboren uit een relatie tussen de man en de vrouw. De man en vrouw hebben beiden een hoog inkomen en het geschil betrof de behoefte van het kind, de draagkracht van de ouders en de ingangsdatum van de alimentatie.
De rechtbank had de behoefte van het kind vastgesteld op €1.299 per maand, inclusief oppaskosten en vakantiekosten. Het hof overwoog dat de Nibudtabellen als uitgangspunt gelden voor de behoeftebepaling, ook bij hoge inkomens, tenzij bijzondere omstandigheden worden aangetoond. De vrouw stelde een hogere behoefte van €1.800,- per maand, maar dit werd niet voldoende onderbouwd behalve voor de oppaskosten. Het hof stelde de behoefte vast op €1.379,- per maand, inclusief oppaskosten.
De draagkracht van de ouders werd berekend aan de hand van het netto besteedbaar inkomen met een forfaitair rendement van 4% op het vermogen. Het netto besteedbaar inkomen van de man werd vastgesteld op €10.640,- per maand en van de vrouw op €5.867,- per maand. De draagkracht van de man bedroeg €4.619,- en die van de vrouw €2.279,- per maand. De zorgkorting van 35% werd toegepast op het aandeel van de man in de behoefte zonder oppaskosten, wat resulteerde in een bijdrage van €588,- per maand door de man.
De ingangsdatum van de alimentatie werd vastgesteld op 1 september 2012, omdat de man vanaf die datum op de hoogte was van het verzoek. Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring werd afgewezen omdat de hoofdzaak een einduitspraak betrof. Het hof vernietigde de bestreden beschikking en stelde de alimentatie vast conform haar berekening.
Uitkomst: De man moet vanaf 1 september 2012 een kinderalimentatie van €588 per maand betalen.