ECLI:NL:GHAMS:2014:6076
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- M. Wigleven
- A.V.T. de Bie
- L.H.M. Zonnenberg
- Rechtspraak.nl
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap en bewijs rond kredietovereenkomst en vordering familie
Partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen en zijn in 2011 gescheiden. In hoger beroep staat de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap centraal, met name de schuld aan kredietverstrekker Defam en een vordering op de familie van de man.
De vrouw stelt dat de schuld aan Defam geen gemeenschapsschuld is omdat de man haar handtekening op de kredietovereenkomst zou hebben vervalst en de gelden zonder haar instemming zijn besteed. Het hof oordeelt dat de bewijslast hiervoor bij de vrouw ligt en dat het bewijsaanbod onvoldoende is om de vordering toe te wijzen. De schulden die met het krediet zijn afgelost zijn volgens de hoofdregel gemeenschapsschulden, ook al was de vrouw niet van het bestaan daarvan op de hoogte.
Daarnaast stelt de vrouw dat zij recht heeft op de helft van een vordering van €7.167,- op de familie van de man. Het hof acht het bestaan van deze vordering voldoende aannemelijk gelet op overboekingen en verklaringen, en wijst toe dat de vordering aan de man wordt toegedeeld met de verplichting om de helft aan de vrouw te voldoen.
De bestreden beschikking wordt in zoverre vernietigd en opnieuw beslist, waarbij het hof de schuld aan Defam als gemeenschapsschuld bevestigt en de vordering op de familie van de man aan de man toewijst met betalingsverplichting aan de vrouw.
Uitkomst: De schuld aan Defam is een gemeenschapsschuld en de vordering op de familie van de man wordt aan hem toegedeeld met verplichting tot betaling aan de vrouw.