ECLI:NL:GHAMS:2014:6081
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.V.T. de Bie
- R.G. Kemmers
- J.A. van Keulen
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter inzake wijziging kinderbijdrage op grond van Israëlische uitspraak
In deze zaak verzocht de man om wijziging van de kinderbijdrage die hij op grond van een Israëlische rechterlijke uitspraak uit 1994 moet betalen. Het geschil betreft de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om van dit verzoek kennis te nemen, waarbij de man zich beroept op artikel 7 van Pro Verordening (EG) nr. 4/2009. Deze bepaling stelt dat de Nederlandse rechter bevoegd kan zijn indien het redelijkerwijs niet mogelijk is in Israël een procedure aanhangig te maken.
De man stelde dat hij vanwege het risico op aanhouding wegens achterstallige alimentatie niet naar Israël kan reizen en dat het ook via een advocaat of derde onmogelijk zou zijn een procedure te starten. Hij overhandigde stukken ter onderbouwing, maar deze waren verouderd en boden onvoldoende bewijs voor zijn stellingen. Het hof oordeelde dat de man onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat een procedure in Israël feitelijk onmogelijk is, mede omdat hij in het verleden wel betalingen aan een advocaat heeft gedaan en geen actueel bewijs over Israëlische regelgeving had overgelegd.
Het hof vernietigde de eerdere beschikking die de man niet-ontvankelijk had verklaard en stelde dat de rechtbank had moeten beslissen dat de Nederlandse rechter onbevoegd is. De Nederlandse rechter kan dus niet kennisnemen van het verzoek tot wijziging van de kinderbijdrage zolang niet aannemelijk is gemaakt dat een procedure in Israël onmogelijk is.
Uitkomst: De Nederlandse rechter is onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot wijziging van de kinderbijdrage op grond van de Israëlische uitspraak.