Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1981 gehuwd en gescheiden in 2011. De man was tot februari 2011 werkzaam bij een bedrijf en ontving een ontslagvergoeding van €238.527,- die hij in een stamrecht B.V. stortte. Na zijn ontslag ontving hij een WW-uitkering tot februari 2014 en daarna een IOAW-uitkering. De vrouw ontving partneralimentatie die bij eerdere beschikking was vastgesteld.
De man verzocht om nihilstelling van de alimentatie vanaf 1 januari 2013 wegens gewijzigde omstandigheden, met name zijn ontslag en beperkte draagkracht. De vrouw betwistte dit en stelde dat de man zijn ontslagvergoeding volledig moest aanwenden ter aanvulling van zijn inkomen en dat hij verwijtbaar werkloos was.
Het hof oordeelde dat sprake was van een wijziging van omstandigheden zoals bedoeld in artikel 1:401 BW Pro, omdat de man niet langer zijn oorspronkelijke inkomen had en niet verwijtbaar werkloos was. Het hof vond dat de man onvoldoende had onderbouwd dat hij een pensioengat had dat voorrang had op zijn onderhoudsverplichting. Daarom moest hij zijn ontslagvergoeding aanwenden ter aanvulling van zijn WW-uitkering tot zijn oorspronkelijke inkomen.
Vanaf 1 februari 2014 was de man niet langer in staat partneralimentatie te betalen gezien zijn IOAW-uitkering en lasten. De partneralimentatie werd daarom vanaf die datum op nihil gesteld. Voor zover de man na die datum nog betalingen heeft gedaan, hoeft de vrouw die niet terug te betalen.
De beschikking van het hof van 5 juli 2011 werd vernietigd en vervangen door deze nieuwe beslissing.
Uitkomst: De partneralimentatie wordt vanaf 1 februari 2014 op nihil gesteld wegens gewijzigde omstandigheden en onvoldoende draagkracht van de man.