Het hof is van oordeel dat de vrouw het kostenoverzicht van [kind a] tegenover de gemotiveerde betwisting van de man onvoldoende heeft onderbouwd. Met name is niet inzichtelijk geworden waar het bedrag van € 502,92 per maand aan ‘dagelijks onderhoud’ uit bestaat, gelet op de vele andere kosten die daarnaast in het overzicht zijn opgenomen.
Gelet hierop zal het hof de behoefte van [kind a] volgens de gebruikelijke richtlijnen vaststellen. Dit betekent dat het hof voor het bepalen van de behoefte van [kind a] tot zijn 18e jaar zal uitgaan van het netto gezinsinkomen van partijen. De man stelt dat het netto gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen circa € 2.500,- netto per maand bedroeg en heeft dit gebaseerd op het inkomen van de vrouw ten tijde van de echtscheiding. De man stelt dat hij destijds geen inkomen had. De vrouw heeft het door de man gestelde gezinsinkomen in die zin betwist, dat zij stelt dat achteraf is gebleken dat de man al in 2010 inkomsten had, zodat niet slechts van haar inkomen kan worden uitgegaan.
Het hof overweegt dat voor het vaststellen van de behoefte van kinderen wordt uitgegaan van het netto gezinsinkomen ten tijde van de samenleving. De vrouw heeft niet betwist dat de man geen inkomen had toen partijen in 2009 feitelijk uit elkaar gingen, zoals ook blijkt uit haar aanvullend verzoek in eerste aanleg. Daarnaast heeft de vrouw ter zitting in hoger beroep verklaard dat de man gedurende het huwelijk jarenlang niet heeft gewerkt. Gelet hierop acht het hof het redelijk om voor het bepalen van de behoefte van [kind a] uit te gaan van het door de man gestelde netto gezinsinkomen van € 2.500,- per maand. Het hof volgt de man echter niet in zijn stelling dat de behoefte van [kind a] op grond van dit gezinsinkomen € 170,- per maand bedraagt. Op grond van de ‘Tabel eigen aandeel kosten kinderen’ voor het jaar 2009 bedroeg de behoefte van beide kinderen in het gezin in totaal € 505,- per maand. De behoefte van [kind a] bedroeg tot zijn 18e verjaardag derhalve afgerond € 253,- per maand.
Met ingang van [datum] 2011 (de datum waarop [kind a] 18 jaar is geworden) zal het hof bij het vaststellen van de behoefte van [kind a] aansluiten bij de (afgeronde) WSF-normen per 1 januari 2012 voor een thuiswonende student hoger beroepsonderwijs, te weten, anders dan de man stelt, € 549,- per maand. [kind a] ontving in 2011 nog een basisbeurs van € 75,– en een aanvullende beurs van € 309,- per maand, welke in mindering wordt gebracht op zijn behoefte. Zijn behoefte bedroeg met ingang van [datum] 2011 derhalve € 165,- per maand.
Uit een overgelegd bericht van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) van 23 oktober 2012 blijkt dat DUO voor het jaar 2012 nieuwe ouderbijdragen heeft vastgesteld, waarbij de bijdrage van de vrouw op € 156,70 is bepaald en de bijdrage van de man op € 154,33. Als gevolg hiervan is de studiefinanciering van [kind a] met ingang van 1 januari 2012 verlaagd. Zijn aanvullende beurs is komen te vervallen. De door [kind a] teveel ontvangen studiefinanciering is door DUO omgezet in een schuld en het teveel ontvangen bedrag wordt verrekend met de nog te ontvangen studiefinanciering. Dit heeft ertoe geleid dat [kind a] met ingang van 1 januari 2012 nog slechts voor de basisbeurs in aanmerking kwam en met ingang van 1 oktober 2012 feitelijk helemaal geen studiefinanciering meer ontvangt.
Het hof stelt de behoefte van [kind a] over de periode van 1 januari 2012 tot 1 oktober 2012 vast op het normbedrag minus de basisbeurs, hetgeen neerkomt op € 474,- per maand. Per 1 oktober 2012 komt de behoefte van [kind a] overeen met het volledige normbedrag van € 549,- per maand.
[kind a] heeft naast zijn studie een bijbaantje in de horeca. Zijn inkomsten bedragen circa € 227,- netto per maand. Het hof acht het redelijk de inkomsten van [kind a] bij het vaststellen van zijn behoefte buiten beschouwing te laten, nu het geen substantiële inkomsten betreft en [kind a] een voltijdse studie volgt.