ECLI:NL:GHAMS:2014:6116
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A. van Haeringen
- G.J. Driessen-Poortvliet
- R.G. Kemmers
- Rechtspraak.nl
Beëindiging partneralimentatie wegens duurzame affectieve relatie en gemeenschappelijke huishouding
In deze zaak stond de vraag centraal of de vrouw recht had op partneralimentatie na 3 november 2009. De vrouw stelde dat zij een kamer huurde bij een derde, maar kon dit niet aannemelijk maken met voldoende bewijs van huurbetalingen. Het hof oordeelde dat de kopieën van kwitanties en de verklaring van de verhuurder onvoldoende waren om een huurovereenkomst aan te nemen.
Vastgesteld werd dat de vrouw en de derde op hetzelfde adres samenwoonden en een affectieve relatie hadden. Uit verklaringen en bewijsstukken bleek dat zij een gemeenschappelijke huishouding voerden en elkaar wederzijds verzorgden. De vrouw betwistte dit, maar haar betwisting was onvoldoende gemotiveerd en zij verscheen niet ter zitting om vragen te beantwoorden.
Op grond hiervan concludeerde het hof dat de voorwaarden van artikel 1:160 BW Pro waren vervuld, waardoor de alimentatieplicht van de man eindigde per 3 november 2009. De vrouw werd veroordeeld tot terugbetaling van de onverschuldigd ontvangen alimentatie na die datum. De eerdere beschikking werd vernietigd en de verzoeken van de man toegewezen.
Uitkomst: De partneralimentatieplicht van de man eindigt per 3 november 2009 en de vrouw moet onverschuldigde alimentatie terugbetalen.