ECLI:NL:GHAMS:2014:764

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 maart 2014
Publicatiedatum
19 maart 2014
Zaaknummer
200.131.568/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:435 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek benoeming zuster tot bewindvoerder wegens verstoorde verstandhouding met behandelinstelling

De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking waarbij de kantonrechter [x] tot bewindvoerder over de goederen van de rechthebbende heeft benoemd. Appellante, de zuster van de rechthebbende, verzoekt om haar benoeming tot bewindvoerder. De rechthebbende verblijft permanent in een psychiatrische instelling vanwege een chronische psychotische stoornis.

Tijdens de behandeling van het hoger beroep is gebleken dat er een verstoorde verstandhouding bestaat tussen appellante en de behandelinstelling, mede doordat appellante het behandelplan niet altijd wilde ondertekenen en de informatie-uitwisseling als matig werd ervaren. De behandelinstelling heeft daardoor geen vertrouwen in appellante als bewindvoerder.

Het hof overweegt dat het belang van de rechthebbende vereist dat er vertrouwen is tussen bewindvoerder en behandelinstelling. Gezien de verstoorde relatie en het ontbreken van vertrouwen acht het hof het niet in het belang van de rechthebbende om appellante tot bewindvoerder te benoemen. Omdat [x] als mentor een goede werkrelatie met de instelling onderhoudt en de rechthebbende goed kent, wordt de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd en het verzoek van appellante afgewezen.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van appellante af en bekrachtigt de beschikking waarbij [x] tot bewindvoerder is benoemd vanwege het ontbreken van vertrouwen tussen appellante en de behandelinstelling.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Uitspraak: 18 maart 2014
Zaaknummer: 200.131.568/ 01
Zaaknummer eerste aanleg: 1422562 EB VERZ 13-3273
in de zaak in hoger beroep van:
[…],
wonende te […],
appellante,
advocaat: mr. F.H. Elema te Groningen.

1.Het geding in hoger beroep

1.1.
Appellante is op 9 augustus 2013 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 31 mei 2013 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), met kenmerk 1422562 EB VERZ 13-3273.
1.2.
Ter griffie van dit hof is op 14 januari 2014 een brief binnengekomen van […], maatschappelijk werker in dienst van [psychiatrische instelling].
1.3.
De zaak is op 16 januari 2014 ter terechtzitting behandeld.
1.4.
Ter terechtzitting zijn verschenen:
- appellante, bijgestaan door haar advocaat;
- […] (hierna: [x]);
- mevrouw […] (maatschappelijk werker bij [kliniek]);
- de heer […] (juridisch dienstverlener bij [psychiatrische instelling]).
1.5.
De advocaat-generaal is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
1.6.
Op 20 februari 2014 heeft de voorzitter zich als raadsheer-commissaris met de griffier begeven naar [psychiatrische instelling] voor een verhoor van […] (hierna: de rechthebbende). Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

2.De feiten

2.1.
De rechthebbende is geboren [in] 1945. Zij is alleenstaand en verblijft op de afdeling Langdurige Intensieve Zorg van [psychiatrische instelling] te [a] als gevolg van haar psychiatrisch ziektebeeld (zij is chronisch psychotisch en heeft een schizoaffectieve stoornis). Appellante is haar zuster.
2.2.
Bij beschikking van 7 september 2012 van de kantonrechter is een mentorschap ingesteld over de rechthebbende met benoeming van appellante tot mentor.
Bij beschikking van 18 januari 2013 van de kantonrechter is [x], verbonden aan […], tot opvolgend mentor benoemd.

3.Het geschil in hoger beroep

3.1.
Bij de bestreden beschikking zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende onder bewind gesteld en is [x] tot bewindvoerder benoemd. Deze beschikking is gegeven op verzoek van de Officier van Justitie in het arrondissement Amsterdam.
3.2.
Appellante verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, haar te benoemen tot bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende.

4.Beoordeling van het hoger beroep

4.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:435 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek benoemt de rechter die het bewind instelt, daarbij of zo spoedig mogelijk daarna een bewindvoerder. Hij vergewist zich van de bereidheid van de door hem te benoemen persoon.
Op grond van het vierde lid van die bepaling wordt, indien de rechthebbende niet is gehuwd, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levensgezel heeft, bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot bewindvoerder benoemd.
4.2.
Appellante betoogt dat de kantonrechter ten onrechte niet haar maar [x] tot bewindvoerder heeft benoemd. Hiertoe voert zij aan dat een familielid niet alleen de voorkeur van de wetgever heeft, maar dat ook de voorkeur van de rechthebbende (haar zuster) naar appellante uitgaat. In het verleden heeft appellante reeds de (financiële) zaken van de rechthebbende behartigd en dat zou zij graag opnieuw doen.
4.3.
Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat appellante enerzijds en [x] (in zijn hoedanigheid van mentor van de rechthebbende) en [psychiatrische instelling] anderzijds een verschil van inzicht hebben ten aanzien van de behandeling van de rechthebbende en dat hun onderlinge verstandhouding dientengevolge te wensen overlaat.
Ter toelichting heeft [psychiatrische instelling] ter zitting in hoger beroep gesteld dat appellante niet altijd het behandelplan wilde ondertekenen. Omdat het maken van een afspraak met haar bovendien lastig was, heeft [psychiatrische instelling] de informatie-uitwisseling met appellante (toen zij nog mentor was) als matig ervaren, om welke reden zij thans geen vertrouwen heeft in de benoeming van appellante als bewindvoerder. [kliniek], waar de rechthebbende tot voor kort verbleef, deelt de ervaring van [psychiatrische instelling].
Appellante heeft erkend dat zij het niet steeds eens is geweest met het behandelplan. Zij heeft daar ter zitting in hoger beroep een gemotiveerde toelichting op gegeven, die er in het kort op neerkomt dat zij een redelijke, menselijke behandeling voor haar zuster wenst en dat zij vindt dat zij die thans niet krijgt en ook in het verleden niet heeft gekregen.
4.4.
Ter gelegenheid van haar verhoor heeft de rechthebbende verklaard geen antwoord te willen geven op vragen.
4.5.
Het hof overweegt als volgt. Het belang van de rechthebbende vergt dat er in de basis sprake is van vertrouwen tussen haar bewindvoerder en [psychiatrische instelling], haar behandelinstelling. Enige vorm van overleg is immers vereist, nu de bewindvoerder beheersbevoegd is namens de rechthebbende en laatstgenoemde permanent in een psychiatrische instelling verblijft. Het hof constateert dat in het onderhavige geval het benodigde vertrouwen aan beide kanten ontbreekt, vooral door ervaringen uit de tijd dat appellante nog mentor van de rechthebbende was. [psychiatrische instelling] is daardoor van mening dat appellante het bewind onprofessioneel zou invullen en appellante heeft op haar beurt de indruk dat haar de toegang tot haar zuster wordt belemmerd vanwege haar kritische houding.
Als zuster van de rechthebbende is appellante weliswaar de wettelijk te prefereren bewindvoerder, maar het hof acht de verstoorde verstandhouding tussen appellante en [psychiatrische instelling] van dien aard dat deze in de weg staat aan benoeming van appellante tot bewindvoerder. Het is niet in het belang van de rechthebbende dat tussen de instelling waar zij verblijft en haar bewindvoerder een conflictueuze verhouding bestaat. Nu [x], die tevens reeds mentor is van rechthebbende, een goede werkrelatie heeft met [psychiatrische instelling] en bovendien de rechthebbende al lange tijd kent, zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen en het verzoek van appellante afwijzen.
4.6.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst het in hoger beroep verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Haeringen, mr. A.V.T. de Bie en mr. J.C.E. Ackermans-Wijn in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2014.