Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1999 gehuwd en hun huwelijk is in 2013 ontbonden. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren, waarvan één jongmeerderjarig en één minderjarig, beiden verblijven bij de man. De vrouw vorderde partneralimentatie, waarbij de rechtbank een bedrag van €1.060 per maand aan de vrouw toekende.
De man ging in hoger beroep en verzocht de alimentatie te verlagen naar €400 per maand, stellende dat de rechtbank ten onrechte uitging van een 60%-norm voor de behoefte van de vrouw en onvoldoende rekening hield met zijn draagkracht, mede vanwege de kosten voor de kinderen die bij hem wonen. Het hof overwoog dat de behoefte van de vrouw redelijkerwijs op basis van de 60%-norm van het gezamenlijke inkomen in 2012 kon worden vastgesteld, gezien het ontbreken van voldoende concrete gegevens over inkomsten en uitgaven tijdens het huwelijk.
Voor de draagkracht van de man hield het hof rekening met zijn inkomen, inclusief een daling per 1 december 2013 door een deeltijdfactor, en met hypotheeklasten. Tevens werd rekening gehouden met de kosten voor de kinderen, waarbij de kosten voor de jongmeerderjarige werden vastgesteld aan de hand van de DUO-norm, verminderd met 15% wegens verblijf bij de vrouw. Dit leidde tot een aangepaste alimentatie van €773 per maand tot 1 december 2013 en €400 per maand daarna.
De vordering van de vrouw tot vergoeding van proceskosten werd afgewezen, mede omdat partijen voormalige echtelieden zijn en kosten in beginsel worden gecompenseerd. Het hof vernietigde het eerdere vonnis voor zover het de alimentatie betrof en stelde de nieuwe bedragen vast.
Uitkomst: De partneralimentatie is vastgesteld op €773 per maand tot 1 december 2013 en €400 per maand daarna.