Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
[kind b]is het volgende gebleken.
[kind c]is het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
De man is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking waarin zijn bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn kinderen was vastgesteld. Na ontbinding van het huwelijk in 1998 werd een alimentatiebedrag bepaald, dat later werd aangepast. De man stelde dat hij geen draagkracht had om de bijdragen te betalen vanwege het ontbreken van inkomen uit zijn onderneming sinds 2009 en zijn financiële situatie.
Het hof heeft de financiële situatie van de man uitgebreid onderzocht, waarbij onder meer zijn inkomsten, vermogen, woonlasten en pogingen tot het genereren van inkomen werden beoordeeld. Hoewel de man stelde dat hij geen inkomen had en zijn investeringen niet succesvol waren, oordeelde het hof dat hij onvoldoende inzicht had gegeven in zijn financiële omstandigheden en onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet in staat was om de alimentatie te betalen.
Het hof wees erop dat de man hoge woonlasten had zonder duidelijke verklaring en dat hij onvoldoende inspanningen had geleverd om inkomen uit loondienst te verkrijgen. Ook werd meegewogen dat de man in het verleden een aanzienlijk deel van zijn vermogen had aangewend om schulden af te lossen. De bijdrage werd daarom bekrachtigd op € 140 per kind per maand vanaf 19 april 2013.
De kinderen ontvingen studiefinanciering en zorgtoeslag, maar dit verminderde hun behoefte niet significant. De vrouw en haar echtgenoot droegen eveneens bij aan de kosten. Het hof concludeerde dat de man draagkracht heeft voor de vastgestelde bijdrage en bekrachtigde de beschikking van de rechtbank.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de eerdere beschikking en bepaalt dat de man een bijdrage van € 140 per kind per maand kan betalen vanaf 19 april 2013.