Uitspraak
mr. Ph.A.J. Raaijmakerste Amsterdam,
mr. E.P. van der Reete Schoorl.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1996 op huwelijkse voorwaarden gehuwd, waarbij elke gemeenschap van goederen was uitgesloten. Tijdens het huwelijk kocht de vrouw meerdere woningen die zij financierde en waarin het gezin woonde. De man stelde dat zij een mondeling overeengekomen maatschap vormden met als doel winst te behalen uit aankoop, verbouwing en verkoop van deze woningen.
De rechtbank wees deze stelling af en ook het hof concludeert dat de feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om van een maatschap te spreken. De vrouw kocht en financierde de woningen alleen, droeg de hypotheeklasten en de woningen dienden als gezinswoning. De man werkte als klusjesman en schilder, ook voor derden, en droeg indirect bij aan de huishoudkosten.
De man vorderde vergoeding van investeringen in de woningen, maar het hof achtte het bewijs onvoldoende en wees het bewijsaanbod af. De vrouw voerde verjaring aan tegen de vergoedingsvordering, waarop het hof de man in de gelegenheid stelde te reageren. Het hof handhaafde de huwelijkse voorwaarden en wees de vorderingen af, behalve dat het de zaak aanhield voor nadere behandeling van het verjaringsverweer.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van de man af en houdt de zaak aan voor nadere behandeling van het verjaringsverweer.