Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1992 gehuwd en in 2011 gescheiden. In het echtscheidingsconvenant van juni 2011 is partneralimentatie vastgesteld op € 2.500 bruto per maand, met een bepaling dat extra inkomsten van de vrouw tot € 1.800 netto niet op de alimentatie in mindering worden gebracht. De man nam vanaf januari 2012 de zorg voor de kinderen op zich en ging met hen in de voormalige echtelijke woning wonen.
De man verzocht in hoger beroep om de partneralimentatie te verminderen of op nihil te stellen vanwege gewijzigde omstandigheden, waaronder zijn dalende inkomsten en gewijzigde zorgverdeling. Het hof oordeelde dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw met haar broer samenwoont en dat de bepaling over de niet-inmindering van extra inkomsten van de vrouw nog steeds geldt.
Verder concludeerde het hof dat de vrouw niet verplicht is haar inkomsten substantieel te verhogen en dat de man voldoende draagkracht heeft om de alimentatie te voldoen. De kosten van de kinderen en andere relevante lasten werden eveneens beoordeeld. Het hof vernietigde de bestreden beschikking en wees het verzoek van de man af, bevestigend dat de alimentatie conform het convenant moet worden betaald.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de man af en bevestigt de partneralimentatie conform het convenant.