Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2000 gehuwd en hebben een kind, [kind A], dat bij de man verblijft. De hoofdverblijfplaats van het kind is door de rechtbank bij de man vastgesteld en dit wordt door het hof bekrachtigd vanwege het belang van het kind en het verstoorde contact met de vrouw.
De vrouw verzocht om partneralimentatie van €325 per maand, maar de rechtbank stelde een hogere uitkering vast. Het hof vernietigt dit en bepaalt dat de man de oorspronkelijke €325 per maand moet betalen, rekening houdend met de draagkracht van de man en de verdiencapaciteit van de vrouw.
Verder is er geschil over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, waaronder schulden en bankrekeningen. Het hof bepaalt dat de man de schulden voor zijn rekening neemt en de vrouw haar aandeel in deze schulden aan hem betaalt. Bankrekeningen worden verdeeld en toegedeeld conform de eigendom en saldi. De vrouw krijgt geen huurrecht van de echtelijke woning toegewezen.
De beschikking van de rechtbank wordt op deze punten vernietigd en het hof doet nieuwe beslissingen omtrent partneralimentatie en verdeling van schulden en bezittingen.
Uitkomst: Het hof stelt de hoofdverblijfplaats van het kind bij de man vast, bepaalt partneralimentatie op €325 per maand en regelt de verdeling van schulden en bankrekeningen binnen de huwelijksgoederengemeenschap.